Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten
Jaargang 16 (2003)
Europeaan, Belg of Vlaming … wie ben ik?
Ludo Beheydt (promotie 1970)

Ludo Beheydt heeft van de Nederlandse taal en cultuur zijn specialiteit gemaakt. Hij geeft er niet alleen les over in Louvain-la-Neuve en Leiden, maar is ook op andere vlakken met deze thema’s bezig. Zo had hij tot vorig jaar zitting in de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren, is hij redacteur van het tijdschrift Neerlandica Extra Muros en jurylid van de vereniging Let Op Uw Taal. Bovendien houdt hij zich als lid van European Children in Crisis bezig met problemen van meertaligheid. Beheydt heeft een waaier van publicaties op zijn naam staan, gaande van uitspraakgidsen, een woordenboek en computerprogramma’s tot een prachtig kunstboek. Toch koestert hij nog een paar dromen. Een gesprek met een duizendpoot.
Een carrière in teken van het Nederlands
Niets had de universitaire carrière van Ludo Beheydt kunnen voorspellen. Hij komt immers uit een omgeving waar men niet veel las of aan cultuur deed. Toen Beheydt achttien was, hadden ze bij hem thuis geen enkel boek. In die omstandigheden was het natuurlijk niet vanzelfsprekend dat hij een hogere studie laat staan een universitaire studie zou aanvatten. Naar de universiteit gaan was dus voor Beheydt een hele ontdekking. Aan zijn studententijd heeft hij trouwens enkel goede herinneringen. Hij begon Germaanse talen in 1966 aan de toen pas opgerichte KULAK in Kortrijk en ging vervolgens naar Leuven om daar zijn licenties te doen. Hij heeft naar eigen zeggen zijn hart verloren aan Leuven. Als student en daarna als assistent kon hij zich er ten volle ontplooien en bovendien leerde hij er zijn vrouw kennen. Het was dan ook met spijt in het hart dat hij na zijn promotie in 1979 uit Leuven wegging.Voor Beheydt begon toen de zoektocht naar een nieuwe uitdaging. Hij legde het vertaalexamen van de toenmalige Europese Gemeenschap af. Hierdoor kon hij beginnen lesgeven aan de KVH (nu: Lessiushogeschool) in Antwerpen. Hoewel Beheydt er tien jaar gewerkt heeft, lag die baan hem niet echt. Als academicus was hij immers het schoolse systeem van de hogescholen niet meer gewend. Gelukkig kreeg hij een plaats aangeboden in Louvain-la-Neuve. Hij kon er werken als wetenschappelijk onderzoeker voor het Certificaat Nederlands voor Anderstaligen. Hij nam het aanbod aan, op voorwaarde dat hij ook een aantal colleges mocht geven. Beheydt vindt het namelijk noodzakelijk om studenten te zien en met hen van gedachten te kunnen wisselen. Hij mocht Nederlandse taalkunde en Nederlandse taalbeheersing doceren. Later werd hem ook nog de leerstoel “Civilisation néerlandaise” toegewezen.
Naast zijn functie aan de universiteit van Louvain-la-Neuve, reisde Beheydt “met en voor het Nederlands” de wereld rond. Hij gaf lezingen over de Nederlandse taal en cultuur in onder meer Debrecen, Budapest, Jakarta en Berkeley. Naar aanleiding van die lezingen werd hij in 1995 gevraagd voor de leerstoel “Cultuur der Nederlanden” aan de universiteit van Amsterdam. Tot 1998 onderwees hij er binnen het programma European Studies “Culture of the Lowlands”. Toen kreeg hij de kans om in Leiden te gaan werken, wat Beheydt een eer vond. Leiden is namelijk niet de eerste de beste universiteit. Daar doceert hij nog steeds één dag per week “Taal en Culturele Identiteit” en “Kunst en Culturele Identiteit”. Die vakken liggen in feite aan de basis van zijn eind 2002 bij het Davidsfonds verschenen kunstboek “Eén en toch apart. Kunst en cultuur van de Nederlanden”. In dat prachtig geïllustreerde werk gaat hij na hoe bekende schilderijen de verschillen weergeven tussen de cultuur van de Nederlanden en die van mediterrane wereld enerzijds, en tussen de Vlaamse en de Nederlandse cultuur anderzijds.
Culturele identiteit: realiteit of fictie?
Beheydt is gepassioneerd door de culturele identiteit, door de manier waarop volkeren hun eigen identiteit ervaren en verdedigen. Maar wat verstaat Beheydt daar onder? Culturele identiteit is een heterogeen begrip, dat vaak subjectief wordt ingevuld. Het is daarom moeilijk – zelfs bijna onmogelijk – om het nauwkeurig te omschrijven. Toch komen in de verschillende invullingen een aantal vaste kernwaarden terug, waarvan taal en traditie waarschijnlijk de belangrijkste zijn. Wanneer een bevolking niet eenzelfde taal en traditie deelt, is het moeilijk om een nationale culturele identiteit te onderscheiden. Op onze vraag of er dan wel sprake is van een Belgische identiteit, antwoordt Beheydt enigszins geruststellend. Bij bepaalde gebeurtenissen, zoals de dood van koning Boudewijn en het huwelijk van prins Filip, zien we toch een gevoel van nationalisme onder de Belgische bevolking. Hij geeft echter toe dat de situatie in België niet ideaal is om een echte nationale eenheid te creëren. België heeft immers drie talen, waar telkens een bepaalde wereldvisie aan verbonden is. Daarbij komt nog dat Vlamingen en Walen hun taal op een andere manier beleven. Voor Walen geldt het persoonsprincipe. Ze ervaren hun taal als lingua franca en denken dan ook dat ze die overal kunnen gebruiken. Vlamingen daarentegen gaan uit van het territorialiteitsprincipe. Ze hebben behoefte aan een beschermende niche waarin ze ongestoord hun taal kunnen spreken. De federalisering van het onderwijs heeft de al aanwezige scheiding nog versterkt, meent Beheydt. Er bestaan namelijk geen gemeenschappelijke onderwijsprogramma’s meer, waardoor Vlamingen en Walen nu een andere bagage meekrijgen. Ook de economische situatie in België zorgt volgens hem voor spanningen. In minder dan een eeuw tijd zijn de verhoudingen volledig omgekeerd. Van het arme landsgedeelte heeft Vlaanderen zich ontpopt tot de economisch welvarende gemeenschap. Uit dat alles concludeert Beheydt dat de spanningen latent aanwezig blijven, al zijn ze constitutioneel omgevormd tot vrede. Dat is vooral te wijten aan een gebrek aan dialoog tussen de gemeenschappen.
Aangezien er al een gebrek aan dialoog is tussen Vlamingen en Walen, lijkt het Beheydt moeilijk om een Europese samenleving te realiseren. Hij wijst erop dat de architecten van de Europese constructie zich tot nu toe enkel beziggehouden hebben met het gebouw, zonder daarbij rekening te houden met de bewoners. Het gevaar bestaat dan ook dat we tot een multiculturele gemeenschap komen, waarin de verschillende culturen in getto’s naast elkaar leven. Het doel van Europa is echter het creëren van een interculturele gemeenschap, die er een is van openheid ten opzichte van de anderen. Dat betekent niet dat we onze eigen identiteit moeten opgeven. Integendeel, uit ervaring weet Beheydt dat we juist met onze eigenheid worden geconfronteerd wanneer we in contact komen met anderen. Zo is hijzelf “bewuster” Vlaming geworden sinds hij lesgeeft in Wallonië en Nederland. In feite is het dankzij de ander dat we onszelf ontdekken.
Meertaligheid: tekort maar ook rijkdom
De taal speelt een cruciale rol bij het opbouwen van een eigen identiteit. Identiteitsproblemen komen dan ook veel voor bij meertaligen, iets waar Beheydt als lid van European Children in Crisis maar al te goed mee vertrouwd is. Niet alleen beheerst de meertalige de talen niet perfect, maar vaak kan hij/zij zich ook moeilijk identificeren met de aan die talen verbonden culturen. Dat is natuurlijk niet altijd het geval, geeft Beheydt aan. Meertaligheid kan ook als een verrijking ervaren worden. Hoe iemand zijn/haar meertaligheid beleeft, hangt eigenlijk af van de context waarin hij/zij de talen heeft verworven. In het immersieonderwijs bijvoorbeeld, krijgen kinderen met eenzelfde moedertaal les in een andere taal. Die formule levert over het algemeen positieve resultaten op. De motivatie, zowel van de ouders als van de leerkrachten, is hierbij een belangrijke factor. In het geval van submersie daarentegen ontbreekt die stimulans. Het kind bevindt zich namelijk in een minderheidssituatie en wordt verplicht om een taal te leren, ten koste van zijn eigen taal. Dat geeft aanleiding tot semilinguïsme of halftaligheid.
Als we immersieonderwijs op grote schaal in België willen invoeren, dan moeten we volgens Beheydt rekening houden met de mogelijke gevolgen ervan voor de maatschappij in het algemeen. Zo kan immersieonderwijs aanleiding geven tot een nieuwe dualisering van de samenleving, met enerzijds de elite van de ‘haves’ en anderzijds de massa van de ‘have-nots’. Tweetalig onderwijs zou trouwens de kloof tussen Vlaanderen en Wallonië niet echt dichten, aangezien er bijna zeker voor het Engels zou worden gekozen. Dat zien we nu gebeuren met de planning van de BAMA-structuur. Daarom is Beheydt daar niet echt voor te vinden. Een andere reden waarom hij sceptisch staat tegenover het BAMA-systeem,is de achteruitgang van de Nederlandse terminologie. Wetenschappelijke vakken zullen immers verengelsen en dat zal op lange termijn ook nefaste gevolgen hebben voor het middelbaar onderwijs. Het is, zo vindt Beheydt, juist de taak van de universiteit om de volwaardigheid van het Nederlands te garanderen. Hij wijst er ten slotte ook op dat de kwaliteit van het onderwijs zal dalen door de verspreiding van het Engels. Men kan namelijk niet van alle docenten verwachten dat hun lessen hetzelfde niveau halen in het Engels als in het Nederlands. Dat betekent echter niet dat we voor het andere uiterste moeten kiezen, namelijk het weren van diversiteit. Beheydt is van mening dat we een leefbare middenweg moeten vinden tussen acculturatie en isolatie, aangezien zowel het opgeven van de eigen taal en cultuur als het negeren van andere talen en culturen gedoemd zijn om te falen.
Standaardtaal in tegenspraak met culturele identiteit?
Hoewel Beheydt een voorstander is van diversiteit, stelt hij dat gemeenschappelijke taalnormen noodzakelijk zijn. Elk taalgebied beschikt normaal gezien over een standaardtaal, een neutraal communicatiemiddel dat de regionale verschillen overstijgt. Wat is dan de standaard voor Vlaanderen? Volgens Beheydt is die voor het geschreven taalgebruik dezelfde als in Nederland. Wat de gesproken taal betreft, heeft Vlaanderen een eigen norm. De taal van de VRT-nieuwslezers is daar een goed voorbeeld van, vindt hij. Het hebben van zo een geschreven en gesproken standaard heeft, naast een communicatieve functie, tevens een belangrijke didactische functie. Dat geldt zowel voor degenen die Nederlands leren als vreemde taal, als voor de moedertaalsprekers. De anderstaligen hebben immers nood aan duidelijke normatieve richtlijnen. Voor moedertaalsprekers is het handig om naar die regels te kunnen grijpen in twijfelgevallen.
De behoefte aan een ongemarkeerde taalvariant betekent niet dat afwijkingen van de norm uit den boze zijn. Zo benadrukt Beheydt dat het niet nodig en zeker niet wenselijk is om alle belgicismen zomaar te verwerpen. Daar bestaan hoofdzakelijk twee redenen voor, zegt hij. Ten eerste verwijzen sommige termen, zoals rijkswacht en schepen, naar typisch Belgische instellingen. Ten tweede zijn er woorden die voor de Belg zo emotioneel getint zijn, dat hij ze niet wil opgeven. Goesting, kot en pistolet zijn daar goede voorbeelden van. We moeten er volgens Beheydt tevens rekening mee houden dat we in een gestratificeerde maatschappij leven. Naargelang van de context en de gesprekspartners hanteren we een bepaald register. Zo zullen we meestal geen gekunsteld Nederlands spreken tegen vrienden, of dialect tegen een meerdere. Kortom, zowel standaardtaal als dialect kunnen kunstmatig overkomen als ze in de verkeerde context gebruikt worden.
Universiteiten onder de loep
Door zowel in Nederland als België te doceren, komt Beheydt rechtstreeks in contact met cultuurverschillen. Die weerspiegelen zich onder meer in de manier waarop er wordt onderwezen. België en Nederland blijken namelijk een heel ander onderwijssysteem te hebben. België kent een reproductief systeem, waarbij studenten hele pakketten leerstof gedwee opslokken en weer uitspuwen op het examen. In Nederland daarentegen zijn assertiviteit en interactie centrale waarden en men hecht er dan ook veel belang aan in het onderwijs. Beide systemen hebben volgens Beheydt voor- en nadelen. Daar waar Belgische studenten over meer kennis beschikken, zijn de Nederlanders zelfstandiger ingesteld. Tussen Vlaanderen en Wallonië zijn de contrasten veel kleiner.
Lesgeven – en zeker in een andere regio of een ander land – is naar zijn mening niet enkel geven, maar ook nemen. Als docent breng je immers niet alleen kennis over aan de studenten, maar kan je bovendien zelf heel wat van hen opsteken. Dat maakt van doceren een uiterst leerrijke ervaring, vindt Beheydt.
Blijven dromen
Ondanks de brede waaier van projecten die hij al gerealiseerd heeft, koestert Beheydt nog enkele plannen voor de toekomst. Hij zou bijvoorbeeld graag een synthese schrijven over het Vlaams. Verder droomt hij ervan een reeks programma’s te maken over de cultuur van de Nederlanden, om zo een groter publiek te kunnen bereiken. Hij denkt echter dat het waarschijnlijk dromen zullen blijven. Maar is de droom al niet de verwezenlijking van een verlangen?
Aurore Baeten
Sofie Van Landegem
