Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten
Jaargang 17 (2004) nr. 1

Naar overzicht

NO SHORT-CUTS TO SALVATION: TRAUMA AND ETHICS IN THE NOVELS OF GRAHAM SWIFT
Stef Craps (promotie 1998)

Stef Craps

Het is er niet goed toeven, in de werkelijkheid die de hedendaagse Britse auteur Graham Swift ons presenteert in een oeuvre dat inmiddels zeven romans en een dozijn of wat verhalen omvat. Zij is een steen waaraan de personages zich stoten, een onherbergzame, onbeheersbare realiteit die zij niet kunnen verdragen. Om ze leefbaar en hanteerbaar te maken, trachten Swifts figuren ze te omzwachtelen, toe te dekken, met een weefsel van verhalen. Het liefst van al zouden ze vergeten dat er achter die door de taal gekende werkelijkheid nog een werkelijkheid an sich ligt, die in haar sublieme, onherleidbare vreemdheid ontsnapt aan elke poging tot domesticatie en appropriatie. De miskenning van deze traumatische realiteit, die meedogenloos al hun zekerheden, overtuigingen en verwachtingen teniet doet, blijkt echter steevast desastreuze gevolgen te hebben. De uitdaging waarvoor de personages zich geplaatst zien, is om een relatie met de werkelijkheid tot stand te brengen die bescherming biedt tegen de brute, destructieve kracht van het trauma zonder ze evenwel te willen neutraliseren of elimineren.

Deze problematiek vormt het centrale aandachtspunt van mijn proefschrift, dat een kritische lectuur biedt van Swifts romans tegen de achtergrond van enkele recente ontwikkelingen in de literatuurwetenschap. Het beoogt een nieuw licht te werpen op Swifts werk door het te confronteren met de inzichten, bevindingen en hypothesen gegenereerd door de traumastudie, een onderzoeksdomein dat op het literair-theoretische toneel verscheen als één manifestatie van de ‘ethical turn’ die zich voltrok in de humane wetenschappen tijdens de jaren negentig. Door Swifts omgang met trauma centraal te stellen, zet mijn benadering zich af tegen de standaard- lectuur van zijn werk. Sinds Linda Hutcheon Waterland naar voren schoof als voorbeeld bij uitstek van “historiografische metafictie”, zijn Swifts romans – en met name Waterland, dat veel meer kritische interesse heeft opgewekt dan al zijn andere werken – voortdurend gelezen vanuit een strikt epistemologisch perspectief. Critici hebben in de regel uitsluitend oog voor de manier waarop Swifts romans de waarheidsclaims van de geschiedenis ondermijnen door te wijzen op haar conceptuele verwantschap met fictie. Naar mijn mening is de cruciale vraag die in Swifts werk wordt gesteld, echter niet of de werkelijkheid waarachtig kan worden gerepresenteerd, maar wel of – en zo ja, hoe – ze kan worden verwerkt. Belangrijker dan het waarheidsgehalte van de historische representatie is het performatieve, therapeutische en ethisch-politieke effect dat zij sorteert of zou kunnen sorteren.

Swifts protagonisten, die in de meeste gevallen ook als verteller optreden, zijn doorgaans kleine, onheroïsche, kwetsbare oude mannen die door een crisissituatie in hun persoonlijke leven worden gedwongen de confrontatie met een traumatisch verleden aan te gaan. Typische ingrediënten van dat verleden zijn oorlog, terrorisme, abortus, moord, zelfmoord, dood, waanzin, incest en verkrachting. De hoofdfiguren voelen de fundamenten onder zich wegglijden waaarop zij hun bestaan hebben gebouwd en met behulp waarvan ze het trauma hebben trachten te bezweren. Wat zij aanzagen voor vaste grond, blijkt slechts moerasland – waterland. De vraag die hen bezighoudt, is hoe het nu verder moet: valt er te leven met de afwezigheid van fundamentele betekenismodellen en verklaringsgronden?

De moeizame omgang met de ervaring van verlies, hetzij van een reëel hetzij van een symbolisch goed, vormt een constante in Swifts oeuvre. De auteur is gefascineerd door personages die tussen twee werelden zweven, in het niemandsland tussen een teloorgegane en gediskrediteerde traditionele wereld en een nieuwe, onzekere maar hopelijk betere toekomst, waarvan de contouren evenwel nog niet duidelijk zijn (en dat voor sommige personages ook nooit worden). Swifts werk insisteert op de noodzakelijkheid van een verwerkingsproces dat een alternatieve modus vivendi mogelijk zou maken gebaseerd op openheid en respect voor alteriteit. De ethische inzet van Swifts romans heeft mijns inziens dan ook weinig van doen met het promoten van traditionele morele waarden, zoals een aantal humanistische critici hebben betoogd.

Hoewel Swifts romans zich voordoen als subtiele psychologische portretten van een, twee of hooguit een handvol personages, overstijgen de verschillende reacties op de traumatische situatie die zijn werk weergeeft, vaak de individuele levens van de protagonisten. Aan de hand van de verhalen van zulke onopmerkelijke figuren als een winkelier, een kantoorbediende of een schoolmeester slaagt Swift erin de culturele pathologieën van een natie en zelfs van een tijdperk te evoceren. Ik beschouw zijn romans dan ook niet alleen als individuele, persoonlijke rouwverhalen, maar benader ze ook vanuit deze bredere perspectieven. Enerzijds interpreteer ik ze als “conditionof- England”-romans, romans die een beeld ophangen van het naoorlogse Engeland, een natie die in het reine tracht te komen met haar verlies aan status en prestige op het internationale toneel. Anderzijds lees ik Swifts romans als teksten die de overgang mediëren van een dubieuze moderniteit, die ik analyseer als een melancholische formatie, naar een precaire maar betoverende postmoderniteit, een conditie die wordt gekenmerkt door authentieke rouw.

Swifts romans hebben opvallend veel met elkaar gemeen, maar toch vallen er significante verschillen te noteren met betrekking tot de manier waarop de individuele teksten omgaan met de bekommernissen die ik hierboven heb geïdentificeerd. Zijn werk vertoont een duidelijke evolutie: aanvankelijk ligt de nadruk sterk op ontkenning, maar ontkenning maakt algauw plaats voor een intens engagement met trauma, en uiteindelijk zijn het de noties van bevrijding en vernieuwing die centraal komen te staan. In Swifts vroege romans The Sweet Shop Owner (1980) en Shuttlecock (1981) wordt het trauma nog grotendeels uit de weg gegaan: “undying memories” (in The Sweet Shop Owner) en “needless painful knowledge” (in Shuttlecock) worden doodgezwegen en in stilte begraven. Deze benadering mag dan al als hoogst problematisch worden ervaren, de teksten stellen nog geen geloofwaardig alternatief voorop voor de ontwijkingsstrategieën die hun respectievelijke protagonisten hanteren. In Waterland (1983), Out of this World (1988) en Ever After (1992) dringt het trauma echter met zoveel geweld binnen in de romanwereld dat dergelijke beheersingsmechanismen geheel onhoudbaar worden. Het is in deze romans uit zijn “middenperiode” dat Swifts strijd met trauma op het scherp van de snee wordt uitgevochten. De teksten staan afwijzend tegenover totaliserende verlossingsverhalen, die ze ontmaskeren als potentieel gevaarlijke vormen van werkelijkheidsverloochening. Daarnaast suggereren ze echter ook meer constructieve manieren om met een schokkende verlieservaring om te gaan. De thematiek van persoonlijke en sociale vernieuwing treedt voluit op de voorgrond in Swifts meest recente romans, Last Orders (1996) en The Light of Day (2003), die minder sterk begaan zijn met de notie van traumatische ontreddering dan hun voorgangers. In deze teksten verschuift de aandacht van “actingout” naar verwerking: ze zijn niet zozeer gefocust op de verlieservaring zelf als wel op pogingen tot herstel en heropbouw.

De notie van een eenvoudige lineaire progressie die dit verhaal van Swifts literaire ontwikkeling schraagt, moet echter genuanceerd worden. Aangezien de spanning tussen ontkenning, “acting-out” en verwerking bij nader toezien onopgelost en onoplosbaar is, dient de dynamiek van Swifts romans begrepen te worden als zijnde fundamenteel aporetisch. Uiteindelijk blijven de teksten zweven tussen de geruststellende antwoorden van de moraal en de verontrustende vragen van de ethiek. Concrete plannen om vernieuwing tot stand te brengen worden onderworpen aan een voortdurende kritische bevraging, die erop gericht is te beletten dat ze tot een abdicatie van ethische verantwoordelijkheid zouden leiden die slechts kan resulteren in het toebrengen van nieuwe verwondingen. De waarde van Swifts werk schuilt precies in zijn resolute weigering om in te stemmen met al te gemakkelijke antwoorden, “short-cuts to Salvation” die telkens weer doodlopende straatjes blijken te zijn. Deze principiële afwijzing van elke vorm van “closure” komt voort uit een verlangen om de toekomst te vrijwaren. Hoewel ze bij momenten nergens heen lijkt te gaan, zet de aporetische reis waarop Swifts romans zich begeven – een reis zonder vooropgesteld doel – koers naar een toekomst die werkelijk anders zou zijn: geen deprimerende herhaling van een fataal verleden maar iets radicaal nieuws en vooralsnog onvoorstelbaars.

Stef Craps (1998)