Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten
Jaargang 19 (2006)

Naar overzicht

“Schrijven is een ziekte”
Saskia De Coster (promotie 1998)

Saskia De Coster

De jonge schrijfster Saskia De Coster (29) zit niet stil. Ze heeft al twee romans – Vrije val (2002) en Jeuk (2004) - op haar naam staan en daarnaast schrijft ze kortverhalen, toneelstukken, filmscripts en teksten voor muziekopvoeringen. Bovendien zet ze tal van evenementen op touw voor uiteenlopende organisaties. Dat moet wel als je wil overleven als zelfstandig schrijfster. Heel even proefde ze van de literatuur¬wetenschappen, maar dat was van voorbijgaande aard, want “schrijven en literatuurwetenschap zijn twee totaal verschillende dingen”. Dat is slechts één van de vele opmerkelijke uitspraken van deze eigenzinnige, schrijvende germaniste.

Een voorbijgaande fase

De Coster heeft altijd al geschreven. “Iedereen schrijft wel als kind. Ik hield bijvoorbeeld een dagboek bij en schreef op de muur. Ik schilderde ook en in mijn eigen atelier in de tuin maakte ik de eerste aanzetten tot schrijven.” Nogal lacherig en niet zonder schaamte voegt ze eraan toe dat ze ook deelnam aan de plaatselijke Davidsfondswedstrijden. Tegelijkertijd deed ze ook minder leuke ervaringen op met literatuur. Een van haar leraars Nederlands in het middelbaar was namelijk gefrustreerd omdat hij geen succesvol schrijver was. “Hij voelde zich geweldig, maar stelde niets voor en werd niet gelezen. Hij pretendeerde alles te weten over literatuur en dan schreef hij zelf nog eens. Je kan die twee dingen beter gescheiden houden.”

Toch besloot De Coster om Germaanse talen te gaan studeren, al had het evengoed iets anders kunnen zijn. Het was immers de logische gang van zaken om aan de universiteit verder te studeren. Aanvankelijk wilde ze ingenieurswetenschappen studeren omdat ze in de middelbare school acht uur wiskunde had gevolgd, maar uiteindelijk wilde ze geen studie kiezen om daarna te gaan werken. “Ik wilde niet in het onderwijs en met Germaanse kan je voor de rest niets doen. Ik wist bovendien altijd al dat ik wilde schrijven.” Ze zocht met andere woorden een opleiding om vier jaar te overbruggen, zodat ze zich daarna weer volop met schrijven kon bezighouden. Haar schrijfactiviteiten vielen dan ook grotendeels stil toen ze in Leuven studeerde. Ze schreef wel enkele stukken voor het studentenblad, “maar die werden nooit gepubliceerd omdat ze te grof waren en altijd over proffen gingen.” Ook de toneelstukken van Germania spraken haar niet aan. Het is tekenend voor De Coster dat ze pas na haar studie de Literaire Prijs van Germania won.

Achteraf bekeken was Germaanse talen niets voor haar, want “de opleiding bleek niet de ideale studie om daarna te gaan schrijven”. De vraag of ze opnieuw Germaanse zou kiezen, is dan ook volstrekt overbodig en wordt met een schaterlach onthaald. Niettemin apprecieerde ze vakken waarin ze zelf veel inbreng had en die verder gingen dan het korte termijngeheugen. Zo bewaart ze goede herinneringen aan de vakken van de professoren Brems, De Graef en De Geest. Maar ook die vakken hadden in de verste verte niet te maken met 'schrijven'. ”Literatuurwetenschap is heel complex, meerduidig en intertekstueel. Het is zeer teleurstellend om altijd tot dezelfde conclusies te komen. Ik ben geen literatuurwetenschapper. Literatuurwetenschap was gewoon een fase, iets voorbijgaands. Schrijven gebeurt onbewust en naïef.” Het is volgens De Coster moeilijk om zelf je weg te zoeken en op hetzelfde moment levensbeschouwelijk onderzoek te doen. “Ik kan niet heel mijn werk doorgronden. Schrijven en literatuurwetenschap zijn twee totaal verschillende dingen.”

De hand van God

Na haar studie volgde De Coster toch nog een specialisatieopleiding literatuurwetenschappen. Daardoor belandde ze in het Clauscentrum, waar ze zowel aan een doctoraat als aan een biografie over Hugo Claus werkte. Dat werk viel echter tegen en ze botste met de voorzitter. Ondertussen was ze via Peter Verhelst in contact gekomen met uitgeverij Bert Bakker en toen die uitgeverij haar vroeg om een roman te schrijven, hield ze het snel voor bekeken in het Clauscentrum. Sindsdien staat haar leven helemaal in het teken van schrijven. Maar waarom schrijft ze? Wat drijft haar? “Het is volgens mij iets dat ik van God nu een aantal jaar moet doen. Ik word geleid door de hand van God. Ik kan niet niets doen. Ik word daar bloednerveus van, tot grote ergernis van mijn omgeving. Het is als een dwang van bovenaf, van binnenuit. Vergelijk het met de calvinistische werkethiek. Ik voel mij heel verantwoordelijk voor mijn letteren, zoals een zelfstandige kan wakker liggen van zijn zaak. Ik probeer soms niet aan het schrijven te denken en iets anders te doen, maar dan word ik ongelukkig en voel ik een existentiële leegte. Zo moet het voelen om depressief te zijn.”

De Coster heeft een haat-liefdeverhouding met schrijven. Ze is heel gemotiveerd en ze wil het echt goed doen, maar vaak zit ze toch te vloeken achter haar laptop. “Het is niet altijd euforie, maar soms ook erg vervelend. Schrijven is heel intensief en slorpt mij helemaal op. Ik word bijvoorbeeld bloednerveus als de telefoon gaat wanneer ik geconcentreerd aan het schrijven ben.” Schrijven kan de grootste kwelling zijn, maar schenkt ook de grootste voldoening, bijvoorbeeld wanneer ze twee woordjes naast elkaar zet die ze echt prachtig vindt.

Voor Bart Moeyaert is schrijven een ziekte waarvan hij nooit wil genezen. Ook voor Saskia De Coster gaat die vergelijking op. “Schrijven is een ziekte: verslavend en sluipend aanwezig. Je kan een ziekte proberen te onderdrukken en te beheersen, maar je moet ze uitzitten. Ik zou liever niets doen en als een zandkorrel op het strand liggen. Dat klinkt tragisch, maar dat is het niet, ik berust er gewoon in. Ik sta er ook niet te veel bij stil. Ik vertrouw erop dat ik ooit zal genezen. Na een tijd zal de verslaving weggaan, zoals bij een roker die longkanker krijgt.”

Schrijven is voor De Coster allesbehalve een vrijblijvende aangelegenheid. Ze schrijft dan ook alleen maar over datgene dat haar interesseert. Haar leven omvormen tot literatuur, zoals Herman Brusselmans doet, daar heeft ze het moeilijk mee. “Mijn leven is helemaal niet interessant. Wat Brusselmans doet, dat kan ik niet. Ik vind het bovendien ook moeilijk om te lezen. Het is wel grappig, maar niet interessant. Volgens mij moet je voeling hebben met wat je schrijft. Ik schrijf alleen over onderwerpen die mij fascineren.” Daar ligt voor haar ook het verschil met de literatuurwetenschap. De Coster schreef haar verhandeling over Howl, een gedicht van de Amerikaanse beatnik Allen Ginsberg. Ze deed dat echter niet omdat ze Howl een goed gedicht vond, maar om zichzelf tegen te werken. “Ik schrijf niet graag over dingen die ik goed vind, want die verwerk ik liever in mijn eigen werk.”

Albanezen inhuren

Voor De Coster is schrijven een intensieve en persoonlijke bezigheid. Negatieve kritiek komt dan ook vaak hard aan. Daarom heeft ze een trucje uitgevonden om recensies te lezen: “Ik bekijk recensies vaak van op een afstand. Ik laat ze eerst door anderen lezen, die zo vriendelijk zijn om de negatieve dingen te censureren, maar uiteindelijk lees ik ze dan toch. Bij negatieve dingen denk ik vaak: ‘Och, ze kennen er niets van’. Het is heel vervelend omdat het in de publieke arena gebeurt, terwijl je er zo voor gezwoegd hebt. Soms is het ook zo vervelend en onbenullig wat recensenten te zeggen hebben.” De Coster heeft echter zelf recensies geschreven voor De Morgen, maar ze is er snel mee gestopt omdat ze het vervelend en oninteressant vond.

Anderzijds vindt ze recensies wel nuttig: “Indien de kritiek terecht is, dan wil ik die wel aannemen. Zo was het een terechte kritiek dat Vrije val te barok van stijl was.” Schrijvers die niet toegeven dat ze wel eens fouten maken, zijn volgens haar hypocriet: “De meeste collega-schrijvers vinden recensenten parasieten. Zo zijn er collega-schrijvers die de aandrang hebben om op recensenten te gaan kloppen of Albanezen in te huren. De meeste schrijvers zijn zielige en onzekere mensen die bewierookt en bejubeld willen worden, net kleine kinderen. Maar je mag je eigen kinderen natuurlijk wel verdedigen.”

Eén van de vele opmerkingen die De Coster voortdurend te horen kreeg, is de vergelijking met Peter Verhelst. Ze begrijpt wel dat ze met hem vergeleken wordt. “Natuurlijk vind ik hem een goede schrijver. Het is leuk dat ze je als debutant met Verhelst vergelijken. Ik doe mijn eigen ding, maar ik begrijp dat ze me ergens moeten onderbrengen. Ik zou het in ieder geval minder complimenteus vinden als ze me zouden vergelijken met de hoofdredactrice van Flair. Bij Jeuk werd ik amper met Verhelst vergeleken en mijn nieuwe roman Eeuwige roem is ook weer helemaal anders.”

“Ik zoek een slaaf”

Net als Verhelst drukt De Coster zich uit in een heel beeldrijke taal. Ze ziet het gebruik van beelden als een manier om andere werelden op te roepen en die verschillende werelden met elkaar te verbinden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat ze niet alleen schrijft, maar ook videoperformances maakt. “Het visuele is veel directer, want er is geen bemiddeling door taal. Tegenwoordig zijn mensen meer met beelden bezig en wordt er ook visueler gedacht. We leven tenslotte in een beeldcultuur.” Daarnaast is ze ook geïnteresseerd in nieuwe vormen van theater, waarin ze onder meer nagaat hoe woorden aangewend kunnen worden en wat hun impact is. “Technologisch theater is moeilijker, maar interessanter dan het bewandelen van platgetreden paden.” Op dit moment krijgt De Coster de ene aanbieding na de andere voor uiteenlopende projecten. Hoewel ze heel gulzig is, kan ze niet alles aannemen. Haar prioriteit op dit moment is goed schrijven.

Het is duidelijk dat De Coster als zelfstandig schrijfster goed kan leven van haar pen. Zo goed zelfs dat ze zich zorgen begint te maken. “Het gaat verdacht goed, maar op een dag gaat de fiscus mij toch vinden. Als het nog beter gaat, zoek ik een slaaf. Administratieve en praktische bekommernissen maken mij snel kribbig, ik heb niet zo veel geduld. Ik vind het erg dat de slavernij afgeschaft is, want ik zou wel een slaaf kunnen gebruiken, bijvoorbeeld om mijn aangiftebiljet in te vullen.” Het zijn op dit moment vooral projecten als videoperformances, toneelstukken, letterenbeurzen en lezingen die geld opbrengen en niet zozeer de boekenverkoop. Op zich heeft De Coster daar geen probleem mee, want “literatuur moet niet alleen tot papier beperkt blijven.”

Saskia De Coster is zonder twijfel een eigenzinnige, literaire duizendpoot die geen enkele uitdaging uit de weg gaat en er niet voor terugschrikt om ongezouten haar mening mee te delen.

Lieselotte De Snijder (2005), Bert Govaerts, Tineke Janssen