Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten
Jaargang 18 (2005)

Naar overzicht

Hier spreekt men Nederlands - een terugblik
Annie van Avermaet (promotie 1962)

Annie Van Avermaet

Op 1 januari 2006 gaat ze met pensioen: Annie Van Avermaet. Tijd voor een terugblik dus op de loopbaan van een dame die – zoals zal blijken – van alle markten thuis is. Zo kennen velen haar als docente Nederlandse uitspraak en als co-presentatrice van de BRT-programma’s Hier spreekt men Nederlands en Ten huize van… . Maar ze heeft meer in haar mars dan alleen dat. Een interview met een geestdriftige vrouw.
Ze verwelkomt ons vriendelijk op haar bureau in het Instituut voor Levende Talen (ILT) in de Dekenstraat. Ze heeft net een uitspraaktest van de eerstejaars afgenomen. “Er zijn meer eerstejaars Taal- en Letterkunde dan in de vorige jaren, maar verscheidene studenten zijn al gestopt,” begint ze spontaan. “Sommigen denken dat ze Toeristenspaans komen leren, maar die komen – helaas voor hen – bedrogen uit.” Wanneer we ons goed geïnstalleerd hebben, haalt ze een paar tijdschriften te voorschijn. Er is ook een Humo bij van 1969 waar ze op de cover staat. “Ja, dat waren wij,” zegt ze niet zonder enig genoegen. Een beetje onder de indruk steken we van wal.

Ik ga toch naar die fuif!

De richting Germaanse talen zag er in haar tijd heel anders uit. Een van de grootste verschillen was dat de feitelijke keuze Germaanse talen was, dat wil zeggen dat zowel Nederlands, Engels als Duits gedoceerd werden. Maar de nadruk lag wel op Nederlands. De vorm was toen ook anders, het was meer ex cathedra, een topdownbenadering. Annie Van Avermaet vraagt zich af of dat eigenlijk een slechte benadering was, zoals velen tegenwoordig denken. Nu moeten de studenten volgens haar ook papers schrijven en is er het concept van zelfstudie. In haar tijd stonden pedagogisch-filosofisch gezien experts tegenover niet-experts. De studenten moesten alleen maar luisteren en slikken. Het was eenrichtingsverkeer waarbij de studenten alles ondergingen en – volgens haar – niet kritisch konden zijn in de collegezaal. Nu is er wel ruimte voor kritiek en discussies. “Helaas gebeurt dat niet altijd, maar het kan wel”, vult ze aan.
Dat de studenten kritischer zijn, is naar haar mening wel een gunstige evolutie, maar die gaat niet ver genoeg, studenten zijn nog altijd niet mondig genoeg in de collegezaal. Ook dat je nu vanaf het eerste jaar twee talen kiest, vindt ze een goede zaak: “Hoe grondig kun je immers drie talen studeren? Je gaat met drie talen weliswaar in de breedte, maar dat gaat ten koste van de diepte.”
Ze denkt niet dat die onmondigheid iets te maken heeft met de Vlaamse volksaard. Ze gelooft niet in ‘een volksaard’. Wél vindt ze dat er in Nederland een praatcultuur is, alles wordt er bediscussieerd. Die praatcultuur begint al tijdens de opvoeding. Niet alleen op school, maar ook thuis wordt alles uitgepraat. Wij Vlamingen hebben in haar ogen een gêne om het woord te nemen, waar we van af zouden moeten. Ze vertelt dat ze met haar oudste zoon, toen hij jonger was, steeds levendige discussies heeft gehad, bijvoorbeeld over of hij naar een fuif mocht of niet. Het is dan belangrijk om met goede argumenten over de brug te komen en naar elkaar te luisteren.
Omdat ze altijd al heel veel interesse heeft gehad voor literatuur, toneel, schilderkunst en poëzie zou ze misschien wel kunstgeschiedenis studeren, als ze opnieuw zou moeten kiezen. Mocht ze vroeger al twee talen vrij hebben kunnen kiezen, dan had naast Nederlands Grieks een goede kans gemaakt. Maar als ze nú zou beginnen te studeren, zou ze waarschijnlijk Nederlands en Spaans kiezen.
Annie Van Avermaet is ook voorzitster van de alumnivereniging, gewoonweg omdat men haar dat gevraagd heeft. De opmars van vrouwen als voorzitters is niet te stuiten, maar verder lijkt de alumniwereld toch veeleer een mannenbastion. Haar taken zijn beperkt, het is een relatief kleine kring (7083 alumni waarvan 849 betalende leden) met weinig kapitaal, zeker als je het vergelijkt met alumniverenigingen als Ekonomika met 2401 betalende leden en VRG met 2891 betalende leden, om van de alumni geneeskunde met 3056 betalende leden nog te zwijgen.

Boontje als seismograaf van zwangerschappen

Wanneer we haar tv-carrière aanstippen, hoeven we zelfs geen vraag te stellen. Ze begint meteen levendig te vertellen dat ze meegewerkt heeft aan twee programma’s: Hier spreekt men Nederlands en Ten huize van… Dat laatste programma bestond uit een interview van ongeveer een uur met een bekende Vlaming of Nederlander. Het was een soort terugblik op het leven van een markante persoonlijkheid uit de wereld van kunst, cultuur, wetenschappen of politiek. Die interviews zijn ook verschenen in boekvorm. Het programma vond ze een boeiende ervaring, niet zo zeer omdat ze veel bekende mensen leerde kennen, maar vooral voor van de schat aan informatie en levenswijsheid die ze kreeg en omdat ze zich in het leven en werk van die mensen kon verdiepen.
Ze grijpt naar notities over mensen die de revue gepasseerd zijn in het programma. De eerste die ze vermeldt, is Louis Paul Boon. Hij heeft haar toen zichtbaar gecharmeerd. Hij was de seismograaf van zijn tijd, maar “hij was ook zo echt en oprecht”, zegt ze wat dweperig. Ze vertelt een anekdote over het interview dat ze met hem had. “Tijdens een onderbreking, toen de camera’s uitstonden, zei hij plotseling tegen me: ‘Gij zijt zwanger, he!’ Ik zei: ‘Hoe weet u dat?’ En Boon opnieuw: ‘Ik zie dat aan uw ogen, ze stralen!’”, herinnert ze zich met zichtbare vreugde. Ze vertelt nog over zijn warme menselijkheid en merkt ook op dat hij op geen enkel moment, ook niet voor de camera, zich beter wou voordoen dan hij was. Mensen aan wie ze ook goede herinneringen heeft, zijn de dichter Richard Minne, de oud-burgemeester van Antwerpen Lode Craeybeckx en vooral ook de boer-schilder Felix De Boeck.
Er waren echter ook mensen die haar ontgoochelden nadat ze hen had leren kennen, zoals Jan de Hartog. Als mens bleef er van hem na het interview niet veel meer over. Ze vond hem ook niet erg grootmoedig en ze vertelt dan dat ze op een boot waren gaan filmen en dat hij niet geïnterviewd wilde worden door haar collega die verkouden was. Voor haar was hij ook te veel een acteur, dat was merkbaar doordat hij altijd precies dezelfde grapjes vertelde in precies dezelfde bewoordingen.
Van Achiel Van Acker onthoudt ze zijn verhalen over de verzetsbeweging tijdens WOII en vooral de koningskwestie na de oorlog en ook zijn grote rijkdom aan verzamelingen: van oude boeken, antieke meubels, schilderijen, exotische voorwerpen, tot aforismen en poëzie uit de hele wereld. Er is ook eens een rel geweest na een van de uitzendingen van Ten huize van… De uitzending met professor Corneel Heymans, Nobelprijswinnaar geneeskunde, deed nogal wat stof opwaaien. Heymans had het onder meer over de werking van Winterhulp-België tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij vertelde dat Winterhulp een Belgische vereniging was die ervoor gezorgd had dat de schadelijke gevolgen van de oorlog en de bezetting voor de gezondheid van de bevolking tot een minimum beperkt bleven. Na de oorlog ontstond er ook bij ons enige deining over Winterhulp. In Nederland echter had het van bij het begin een duidelijk negatieve reputatie. Het probleem was nu dat die uitzending tegelijk in Vlaanderen en Nederland werd uitgezonden. “Heel wat Nederlanders hebben toen verontwaardigd gereageerd, maar wij beseften op dat ogenblik niet dat Winterhulp in Nederland zo’n negatief imago had”, legt ze uit.

Met Annie in het keldertheater van Sencie

Hoe is Annie Van Avermaet dan bij de televisie terechtgekomen? Ze vertelt dat toneel daar een belangrijke rol in heeft gespeeld. Ze was al heel vroeg lid geworden van het zogenoemde keldertheater van Sencie, het MSI. Professor Joos Florquin had die toneelgroep in 1954 als onderdeel van het Instituut voor Algemene Literatuurwetenschap opgericht. Daar heeft ze ook voor het eerst haar dierbare vriend en collega Fons Fraeters ontmoet, met wie ze de rest van haar professionele leven alle lief en leed heeft gedeeld. De groep bracht ongeveer een toneelstuk per jaar op de planken. Naast toneelstukken werden er ook poëzieprogramma’s en debatavonden georganiseerd. Op een keer waren er tv-makers uitgenodigd voor een debat waarin zij – voorbereid – een paar vragen moest stellen. Door haar toneelervaring bracht ze het er nogal goed van af. Zo werd ze opgemerkt en men stelde haar voor om aan een debatprogramma over televisie mee te werken. Daarna, toen Joos Florquin gevraagd werd een programma over uitspraak te maken, polste de toenmalige BRT ook haar en Fons Fraeters om daaraan mee te werken. Dat uitspraakrubriekje Spreek het zo uit is daarna een zelfstandig programma geworden, Hier spreekt men Nederlands, dat tien jaar lang heeft standgehouden. “Het is dus allemaal een beetje toevallig gelopen”, vat ze het samen.
In het begin vond ze het heel vreemd om op het scherm te komen. Maar dat wende wel. In haar ogen werkte dat televisiewerk al gauw stigmatiserend. Iedereen begon meteen op zijn taal te letten. Maar het had ook voordelen. Voor haar was het BV-schap toch veeleer positief dan negatief, ook later. Ze vertelt dat de makers veel kritiek kregen van iedereen en vanuit de politieke hoek in het bijzonder. Wanneer ze in het programma Hier spreekt men Nederlands een kritische noot lieten horen over bepaalde mistoestanden in het leger en de diplomatie wilde men het programma zelfs verbieden. De socialisten vonden hen te elitair en waren van mening dat ze op een bepaald ogenblik door het tv-programma de verkiezingen zouden kunnen vervalsen. Alle partijen bekeken de uitzendingen dan ook vooral om te zien of ze niet te fel bekritiseerd werden. Ook aan Waalse kant was er kritiek: de krant La Libre Belgique schreef zelfs over het programma: C’est une équipe dont le chien est le plus intelligent.

Wat spreekt men hier? Nederlands!

Hier spreekt men Nederlands is ontstaan in het licht van de tijdsgeest. De mensen waren er klaar voor. Er waren al ABN-kernen in scholen die een vlotte, correcte en een cultureel hoogstaande taal nastreefden. Wim de Geest en Leo Somers hadden op de televisie een taalprogramma De Teletaalles, waarin onder meer uitspraak aan bod kwam. Dat uitspraakonderdeel werd verzorgd door de ploeg van Annie Van Avermaet, met name: Joos Florquin, Frans van Coetsem, Fons Fraeters en Annie zelf. “Professor Van Coetsem was een eminent deskundige, die, helaas voor ons, naar de Verenigde Staten is geëmigreerd. Aan hem hebben we onze professionele en wetenschappelijke vorming te danken. En Joos Florquin was onze mentor. Dankzij hem zijn we geworden wat we zijn. Hij schreef de scripts, coachte ons, regisseerde ons, leerde ons presenteren en zelfs monteren,” blikt ze terug. Die uitzendingen van Spreek het zo uit zijn dan geëvolueerd naar Klankbord, een programma van een kwartier dat alleen over uitspraak ging. Later werd dat verkort naar vier minuten, net voor het nieuws: Hier spreekt men Nederlands was geboren. Annie Van Avermaet heeft ook ooit zelf een uitzending verzorgd, gewijd aan het in beeld brengen van poëzie. Het was een uniek experiment: Op het marmer van Delos van Van Wilderode was het meest geslaagde. Verder was er ook nog de verfilming van Lied der blijdschap van Bert Decorte. Op die manier kon ze zich ten volle aan poëzie, haar eerste liefde, wijden.
Om de impact van het programma te kennen, moet je het in de eerste plaats in zijn tijd zien. Het hing namelijk echt in de lucht. Maar of de mensen minder spontaan zijn gaan spreken door de uitzendingen, omdat ze zagen wat verzorgde taal is, valt te betwijfelen. “Standaardtaal verwerven moet je beschouwen als het verwerven van een vreemde taal, want dat was de standaardtaal toen. Je moet een drempel overwinnen om het te spreken. Het is als een simultane tweetaligheid aanleren: dialect en standaardtaal”, legt ze uit. Veel mensen werden zich in die tijd meer bewust van die standaardtaal. Ondanks de kritiek was het programma dus juist heel anti-elitair, want het wilde het Nederlands sympathiek maken. De bedoeling was om van het Nederlands een taal van en voor iedereen te maken. De mensen moesten het Nederlands ontdekken en niet alleen beschouwen als een ‘zondags pak’. Maar dat wil uiteraard niet zeggen dat er altijd en overal standaardtaal gesproken moet worden: voor verschillende plaatsen en situaties zijn er verschillende registers. Er is dus zeker ook plaats voor dialecten. “Wanneer je welke taal gebruikt, zou een onbewust proces moeten zijn. Er was echter niet alleen het programma, we hebben ’s avonds ook talrijke lezingen gegeven in heel het land om het gebruik van de standaardtaal te promoten”, vervolgt ze.

Onze schatkamer

Velen vinden dat het Nederlands achteruit gaat en dat er taalverloedering heerst. Annie Van Avermaet deelt die mening echter niet. Ze weigert pessimistisch te zijn over een zogenaamde achteruitgang van het Nederlands. Volgens haar is er nu gewoon minder aandacht voor taal. Maar er komt zeker een tijd waarin er opnieuw meer aandacht is voor taal. De hele geschiedenis bestaat volgens haar namelijk uit slingerbewegingen, uit ups en downs. Haar mening is wel dat een volk dat zichzelf respecteert, de nodige aandacht aan zijn cultuurtaal moet schenken. Die standaardtaal zou je dus al moeten leren van in de kleuterklas en de lagere school. “Toen ik tijdens mijn studententijd op zondagavond met enkele vriendinnen met de trein naar Leuven kwam, schakelden we op de trein automatisch over op AN. Thuis spraken we wel dialect, maar we hadden tegelijk aandacht voor standaardtaalgebruik, mogelijk ook omdat we Germaanse studeerden”, illustreert ze. Tegenwoordig is er minder belangstelling voor correct taalgebruik en mogen er lossere vormen gebruikt worden. Op tv, een medium met een heel grote impact, hoor je vaak jongeren- en turbotaal. Wat ze wel gevaarlijk vindt, is de tussentaal, “dat is vis noch vlees.” De dialecten daarentegen zijn erg waardevol: ze zijn de schatkamer van onze taal. Mensen zouden gewoon de moed moeten hebben om AN te spreken. AN spreken is als een visitekaartje dat je kiest om af te geven. Wanneer je het spreekt, heb je een streepje voor. Bovendien wordt AN spreken ook echt geapprecieerd.
Bestaat er wel zoiets als standaardtaal? Natuurlijk bestaat die volgens haar. Mensen die zeggen dat standaardtaal niet bestaat, gebruiken ze zelf toch ook. Je moet volgens haar maar luisteren naar de radio of tv en je hoort ze. Een grote groep gebruikt ze niet, ook studenten niet. Maar is het niet zo dat de toplaag, de spraakmakende gemeente, de taal bepaalt? Je moet ze ook wíllen gebruiken en daar wringt het schoentje soms. “Kijk maar naar Bert Anciaux. Hoewel hij de standaardtaal uitstekend beheerst, schakelt hij vaak over op een soort tussentaal om zogezegd dichter bij de bevolking te staan. Iemand als Frank Vandenbroucke daarentegen spreekt de standaardtaal wel een op een heel aantrekkelijke en natuurlijke manier,” meent Van Avermaet.

We begrijpen elkaar. Wat leuk!

Het Nederlands in Vlaanderen en dat in Nederland vertoont wat verschillen. De vraag is echter of die variatie in de toekomst groter zal worden. Hoewel het voor de meeste Vlamingen lijkt alsof er een grote kloof bestaat, beweert Annie Van Avermaet dat wat de geschreven taal betreft, er toch lijnen zijn die naar elkaar toe lopen, “ook al is het erg moeilijk om in de glazen bol van Madame Soleil te kijken.” Als je de taal van een auteur als Tom Lanoye vergelijkt met die van Louis Paul Boon, merk je welke afstand we hebben afgelegd. Boontje was erg geliefd bij de Nederlanders, maar toch hadden ze soms wat problemen om zijn taal te begrijpen. Dat is bij Lanoye helemaal niet meer het geval. Dat de gesproken taal een ander verhaal is, bevestigt ze wel. Toen in Vlaanderen alleen de BRT bestond, keken vele Vlamingen ook naar de Nederlandse omroepen. Sinds de komst van de commerciële zenders is dat fel afgenomen. In Nederland wordt er wel vrij veel naar TV1 en VTM gekeken, hoewel de woordenschat verschillend is. De gesproken taal groeit wat uit elkaar. Toch hoor je in Vlaanderen heel vaak woorden als leuk gebruiken, dat vroeger alleen maar in de geschreven taal voorkwam. Dat is een voorbeeld van een woordje dat hier ook veel succes heeft in de gesproken taal.
“Het zou absoluut geen goed idee zijn om de taal te splitsen. Waarom zou je dat doen in een eenwordend Europa? Dan moet je ook het 'Vlaams' splitsen, want West-Vlaams is dan ook een andere taal dan het Limburgs. Slechts 10% van de taal verschilt, is dat een reden om te splitsen? En trouwens: bij wie wil je het liefst horen: bij een taalgroep van 20 miljoen of bij een taalgroep van 6 miljoen? Het verschil in cultuur tussen Noord en Zuid is volgens mij veel groter dan het verschil in taal, of zoals Timmermans het zei: “We zijn van hetzelfde deeg, maar anders gebakken””, verklaart ze.

Van de lente en de zomer

Annie Van Avermaet geeft – al sinds ze voor de televisie werkt – Nederlands aan anderstaligen aan het Instituut voor Levende Talen: van niveau 1 tot en met niveau 5. De didactische inzichten zijn in de loop van de jaren grondig veranderd. Van de grammaticale aanpak waarbij de leraar centraal stond, evolueert het onderwijs nu naar een communicatieve en functioneel-notionele aanpak waarbij de student centraal staat. De laatste jaren zijn ook de interculturele competentie en de taakgerichte benadering een belangrijke rol gaan spelen. “Ik heb daar altijd heel veel plezier aan beleefd. Ik heb ook heel veel geleerd van mijn buitenlandse studenten: in de eerste plaats relativering en bescheidenheid. De Arabische cultuur of die van Perzië is ongemeen boeiend en verrijkend. Ik heb ook verdraagzaamheid geleerd”, vertelt ze.
“Het is zeer dankbaar om de studenten kennis en inzicht in je moedertaal, in casu het Nederlands, bij te brengen. Nederlands is geen moeilijkere taal dan een andere om te leren. Een probleem is wel dat hier in Vlaanderen nog erg veel dialect gesproken wordt. Wat de buitenlandse studenten leren tijdens de les wordt niet altijd bevestigd door wat ze bijvoorbeeld in een winkel horen. Buiten de les krijgen ze dus te maken met afwijkende vormen. En bovendien spreekt men vaak ook Engels met hen, wat hen soms erg demotiveert. Het taalaanbod buiten de les wordt daardoor eigenlijk te beperkt.”
Als ze moet kiezen voor ‘de leukste ervaring’ – het tv-werk of lesgeven – twijfelt ze. Het zijn namelijk twee totaal verschillende werelden. Werken voor de tv was creatiever, meer polyvalent en veelzijdig. Natuurlijk stond ze ook veel in de belangstelling. Maar dat was geen punt. Het was wel een soort glitterwereld, maar alles samen genomen was het heel verrijkend. “Het was de lente- en zomerperiode van mijn leven, de periode waarin je van alles ontdekt en ontwikkelt. Maar lesgeven was en is mijn passie,” zegt ze. Het is haar ‘altruïstische’ periode. Voor haar was en is die heel boeiend en komt er veel empathie bij kijken. Enthousiasme is noodzakelijk. “Je moet je geven, jezelf ondergeschikt maken in het voordeel van de ander. Ik denk wel dat je ervoor geboren moet zijn. Ik zou iedereen die wil lesgeven aanraden om toneelervaring proberen op te doen: in mijn geval heeft dat zeker geholpen,” geeft ze als raadgeving mee.
Tien jaar lang (van 1993 tot 2003) is ze ook directeur geweest van het Instituut voor Levende Talen. In die jaren heeft ze zich ingezet het Instituut samen met haar collega’s mee uit te bouwen tot een volwaardig interfacultair taleninstituut waar 18 talen gedoceerd worden en 67 personeelsleden werken. Er hebben in die periode verschillende projecten het levenslicht gezien, zoals woordenboekenprojecten zowel voor modern Arabisch als voor Frans en academisch Engels en projecten met het buitenland. Ze was zelf coördinator van enkele succesvolle projecten voor anderstaligen: Vanzelfsprekend van Rita Devos en Han Fraeters, uitgegeven bij Acco in 1996, was een van de paradepaardjes. Ook een Europees multimediaproject Go Dutch, uitgegeven bij Coutinho in 2003, heeft ze gecoördineerd. Het is bedoeld voor uitwisselingsstudenten en het heeft niet alleen een sterke taalcomponent, maar ook een ruime cultuurcomponent. Nog in 2003 werd ten slotte Niet Vanzelfsprekend van Helga Van Loo en Peter Schoenaerts gepubliceerd. Stuk voor stuk projecten waar ze met enige trots op terugkijkt. Ook aan de Zomercursus "Joos Florquin" Nederlands voor Anderstaligen heeft ze heel mooie herinneringen. Elke zomer, in de maand augustus, wijdde ze haar beste krachten aan deze vakantiecursus, eerst als lesgeefster, daarna als coördinator. Het was hard werken, maar het was de moeite waard.

Gedanken

Annie Van Avermaet houdt van taal. Dat is het minste dat we kunnen zeggen. Wat zou haar visie op taal zijn? Wat is taal tout court? Volgens deze vrouw met zo’n grote passie is taal een van de uitdrukkingsvormen die er zijn. Je gebruikt taal om contact met anderen te maken, om inzicht in de realiteit te krijgen, maar ook in jezelf. Er bestaan misschien ook wel gedachten zonder taal. “Wanneer we spreken, kunnen we de andere een inzicht geven in onze gedachten. De anderen hebben dus contact met ons. Maar dat is altijd beperkt, we kunnen niet altijd precies en adequaat uitdrukken wat we willen, omdat onze gedachten niet altijd in taal te vatten zijn”, legt ze uit. Daardoor rijst de vraag of echt contact met de andere wel mogelijk is. “Leben ist einsam sein. Kein Mensch kennt den anderen, jeder ist allein”, zei Hermann Hesse in zijn gedicht Im Nebel, een gedicht dat reeds in haar studententijd op haar kot aan de muur hing. “Poëzie en literatuur komen in de buurt en slagen er beter in om onze gedachten en gevoelens uit te drukken. Poëzie probeert het onzegbare te zeggen, maar dat lukt niet altijd. Muziek probeert dat ook.”
Dan is het alweer tijd om afscheid te nemen. Het afscheid verloopt, in tegenstelling tot het interview, vrij abrupt. Ze beseft plots dat ze de werkster moet gaan ophalen. Maar we hebben wel een heel leerrijk en boeiend vraaggesprek gehad met een vrouw met een breed interesseveld.

Ralf Eicker (2005)
Karlien Guldentops
Leen Maes