Opening Feestweek 100 jaar Germaanse in Leuven
1894-1994

“Goesting genoeg, maar toch geen trek....”
Een debat over de norm van het Nederlands

Willy Smedts: Inleiding

Op 4 december 1990 organiseerde de afdeling Nederlandse taalkunde van de Universiteit Gent een colloquium over "De positie van Vlaanderen in het Nederlandse taalgebied". Dat colloquium, en het panelgesprek dat erbij aansloot, maakte deel uit van een reeks wetenschappelijke en culturele activiteiten ter viering van het eeuwfeest van honderd jaar Germaanse filologie in Gent.

De Gentse hoogleraar Nederlandse taalkunde, Johan Taeldeman, besloot zijn bijdrage tot het colloquium toen als volgt:

Recent sociolinguïstisch onderzoek toont aan dat Vlaanderen zich standaardtalig in toenemende mate op het Noorden oriënteert. Toch zie ik ook twee oorzaken waardoor de Belgisch-Nederlandse rijksgrens wel altijd tot op zekere hoogte een standaardtalige grens zal blijven:
(1) Feitelijk: In Nederland zullen de standaardtalige ontwikkelingen zich ook in de toekomst sneller blijven doorzetten dan in Vlaanderen. In het beste geval zullen die Hollandse innovaties Vlaanderen met enige vertraging bereiken.
(2) Attitudineel: Ondanks de principiële bereidheid tot meer convergentie hebben de meeste Vlamingen geen zin om zich standaardtalig volledig op het Noorden te oriënteren.

Zijn medewerker, Johan De Caluwe, trekt daaruit conclusies voor het onderwijs:

Uit alles blijkt dat de variant van het Nederlands die het best aansluit bij die attitudes, niet de Noordnederlandse variant is. Dat betekent concreet dat wij de studenten geen Noordnederlandse uitspraak leren, en dat we evenmin eisen dat ze zich grammaticaal of lexicaal volledig op het Noorden zouden richten.

Onze studenten moeten wel leren
- dat er behalve borstels ook kwasten en bezems zijn;
- dat erwten en worteltjes niet in dozen maar in blik verkocht worden;
- dat er naast melkchocolade geen fondant maar pure chocolade bestaat; enzovoort.

Maar we aanvaarden wel
- fruitsap naast vruchtesap;
- hout vasthouden! naast afkloppen!
- geluidsmuur naast geluidsbarrière;
- Frans brood naast stokbrood;
- keukenhanddoek naast theedoek;
- hij mankt naast hij loopt mank;
- iemand stokken in de wielen steken naast iemand een spaak in het wiel steken;
- dat iets met haken en ogen aan elkaar hangt naast dat iets als los zand aan elkaar hangt; enzovoort.

De studenten horen wel te weten of wat ze gebruiken algemeen bekend is in het noorden van ons taalgebied, en als dat niet het geval is, wat het Noordnederlandse equivalent dan wel is, als dat bestaat.

En besluit De Caluwe:

We zijn er ons volkomen van bewust op die manier bij te dragen tot de ontwikkeling van de Vlaamse variëteit van de Nederlandse standaardtaal.

In het decembernummer van Onze Taal (1993) maakt de onvervalste hollandofiel Geert Vanistendael, die zich in Het Belgisch labyrinth nog zo scherp afzette tegen het verkavelingsvlaams, er zich behoorlijk druk over dat de Nederlander Harry Cohen, die toch al dertig jaar in Brussel woont, "sommige volkomen Nederlandse woorden als omslag en toegeving Vlaams of Belgisch of Zuidnederlands vindt". En, zo gaat het even verderop

Nederlanders vinden wel dat sommige woorden van bij ons (droogzwierder, uitbater) leuk en schilderachtig zijn; met andere woorden, pure folklore. Dat ons woordgebruik op een paar punten ook echt beter is, duidelijker, genuanceerder, nee, die toegeving zou het nog altijd ongeschokte Hollandse superioriteitsgevoel al te zeer aantasten.

Als zelfs de vakgroepen Nederlands van de universiteiten een eenzijdige gerichtheid op het Noorden niet meer zien zitten, als zelfs een invloedrijk publicist als Van Istendael er moeite mee heeft, hoe moet het dan met de norm in Vlaanderen?

Om daarover een scherper beeld te krijgen, hebben we hier vanavond een panel uitgenodigd van personen die beroepshalve veel met taal bezig zijn. Ik stel ze kort aan u voor:

  • Mevrouw Greetje van den Bergh is de algemeen secretaris van de Nederlandse taalunie. In die functie moet ze er volgens het Taalunieverdrag op toezien dat de taaleenheid in ons taalgebied wordt behouden en bevorderd.

De andere vijf panelleden zijn Vlamingen én Leuvense germanisten:

  • Mevrouw Martine Tanghe is journaliste en nieuwspresentator. Zij is ongetwijfeld een goede representante van wat gemeenlijk "BRTN-Nederlands" wordt genoemd. Zij leidt het gesprek.
  • De heer Jean-Pierre Gaillez is leraar Nederlands in Wallonië en bij een ruim publiek - ook in Vlaanderen - bekend als organisator van cursussen Nederlands voor Franstaligen. Iets waarvoor hij zich een paar jaar geleden zelfs in koninklijke belangstelling mocht verheugen. Zijn Franstalige Belgen erbij gebaat dat er meer ruimte komt voor Vlaamse varianten in de standaardtaal? Een vraag waarover hij ongetwijfeld een mening heeft.
  • De heer Johan Nootens is medewerker geweest bij de - nu zieltogende - Raad voor taaladvies en is thans taaladviseur bij de Vlaamse Raad. Hij moet elke dag ten strijde trekken tegen dezelfde hardnekkige, blijkbaar onuitroeibare fouten. Moet hij dat blijven doen?
  • Professor Koen Jaspaert is voorzitter van het Steunpunt Nederlands als tweede taal. Hij heeft zich de afgelopen jaren in Tilburg en daarna in Leuven intensief beziggehouden met de taal van en voor de migranten. Welke taal moet hij die migranten leren?
  • Professor Guido Geerts is hoogleraar Nederlandse taalkunde. Als redacteur van de Algemene Nederlandse spraakkunst en hoofdredacteur van de grote Van Dale heeft hij vaak te maken met normkwesties. Blijft hij aan de druk van de Vlaamse gemeenschap weerstaan en mordicus één - Noordelijke - norm voorstaan?

Het debat gaat over de vraag welke ruimte er binnen het Nederlands is / moet zijn voor Vlaamse varianten; of er een Vlaamse norm moet komen of niet - en welke argumenten er daarvoor zijn; of de norm in dezelfde mate geldt voor uitspraak, woordenschat en grammatica; hoe we een en ander kunnen stimuleren, enzovoort.

Tijdens het tweede gedeelte krijgen de aanwezigen ruimschoots de gelegenheid aan de discussie deel te nemen.
Ik wens u een onderhoudende, leerrijke en genoeglijke avond. Het woord is aan mevrouw Tanghe.
Martine Tanghe

Martine TangheSedert ik als germaniste ben afgestudeerd aan deze universiteit (en dat is intussen al 17 jaar geleden), ben ik beroepshalve veel bezig geweest met taal - niet uitsluitend maar toch vooral met Nederlands. Op de redactie van de BRTN krijgen we “blauwe briefjes” van onze taalraadsman, de heer Berode, wanneer we fouten maken tegen het Nederlands. Als we zeggen dat de president van hupledepup nog wel andere katten te geselen heeft, dan krijgen we van Berode een blauwe brief: “Dat mag je niet zeggen, want dat begrijpt men niet in Nederland” ; dus: “Hij heeft nog wel andere dingen aan het hoofd.” Dan wordt er soms wel gemord en vragen collega’s zich af: waarom mogen we bv. niet zeggen “vijgen na Pasen”; onze kijkers begrijpen dat! Nee, dat moet zijn: “mosterd na de maaltijd” [hilariteit in de zaal].
Ik zou blij zijn als een aantal knopen definitief worden doorgehakt; dat zou voor ons de zaak heel wat gemakkelijker maken.
Ik hoop hier vanavond iets bij te leren. Laten we maar beginnen uiterst links, bij Prof. Koen Jaspaert.

Koen Jaspaert

Ik moet u teleurstellen, dames en heren, want ik ben heel sterk voorstander van de Noordnederlandse norm. Ik ging ervanuit dat ik hier vooral in dit panel gezet was om precies het omgekeerde te vertellen, en de organisatoren slaat dan altijd de schrik om het hart als ik een beetje dwars begin. De Noordnederlandse norm is in Vlaanderen nog altijd de enige officiële norm - het staat immers in de wet: de taal in dit deel van Belgïe is officieel het Nederlands.
Ik vraag mij af of er in de eenheidstaal geen plaats is voor die Vlaamse varianten?
Waarom zou de liefde eigenlijk altijd van dezelfde kant moeten komen? Waarom kunnen de Nederlanders geen woorden van ons overnemen?
Men zou kunnen zeggen: is het debat daarmee beëindigd? Wel, voor mij begint het daar eigenlijk pas. Wat mij in het hele debat rond de norm in Vlaanderen (de Noordnederlandse of de Vlaamse) het meeste stoort, is
het feit dat dit debat steeds gaat over de wenselijkheid van de norm in Vlaanderen. Het gaat er steeds over:
welke norm moeten wij in Vlaanderen nu hanteren? (Alsof het aan ons is - vijf of zes mensen hier achter de tafel, de mensen in deze zaal, de mensen die daarover nadenken - om te bepalen welke norm in Vlaanderen nu gebruikt moet worden.) Hoe komt het dat dit volk er niet in slaagt om op 100 jaar tijd die Noordnederlandse norm onder de knie te krijgen? Wel, omdat een norm hoort bij een taalgemeenschap, een gemeenschap van mensen die vinden dat ze als groep functioneren, als groep één cultuur uitdragen, en vanuit één cultuur met elkaar communiceren - een groep waarvan de neuzen allemaal in dezelfde culturele richting wijzen. En het rare aan de hele normendiscussie in Vlaanderen is, dat die heel sterk aangezet wordt vanuit mensen die het een goed idee zouden vinden dat Nederland en Vlaanderen cultureel één groep zouden vormen.

Bij een onderzoek, ongeveer 12 jaar geleden, vroeg ik een bankdirecteur in Leuven: “als u in contact komt met mensen uit Nederland, gebeurt het dan ooit dat zij u aanvallen op uw taalgebruik?” “Ja”, zei de man, “en als ze dat doen dan reageer ik meteen op hun taalgebruik. Als ik dat niet doe dan kost mij dat geld. Ik kan me niet in het hoekje laten drummen. Zij reageren, dus ik ook.” Als wij als Vlamingen -schijnt de redenering te zijn - de Noordnederlandse norm overnemen, als zij in die ene cultuur de groep zullen zijn die de norm bepaalt, dan hebben we een probleem, want we geven meteen toe dat zij de macht hebben.

Wij zijn in Vlaanderen, door de druk van de Noordnederlanders, vingertikkers geworden. Geert van Istendaal heeft ooit een interview afgenomen van Louis Van Velthoven, toenmalig voorzitter van de Vlaamse Raad, die het initiatief had genomen om het Nederlands in Vlaanderen te bevorderen. Op het einde vroeg Van Istendael: “En meneer de voorzitter, wat interesseert u nu hierbij?” en hij bleef aandringen tot Van Velthoven zei: “Ik ben zeer geinteresseerd aan...” Dan wou hij nog iets zeggen, maar dat was alles wat Van Istendael moest horen en hij zei: “Mijnheer de voorzitter, weet u dat u een verfoeilijk gallicisme gebruikt hebt?” Louis Van Velthoven, voorzitter van de Vlaamse Raad, kleurde rood, trok zich even achteruit en zei: “Oei, is dat waar? Dan excuseer ik mij.” [hilariteit in de zaal]. Als onze vingertikkerij dat soort effect kan hebben bij dat soort meneren, hoe kunnen we er dan nog vanuit gaan dat we die taal zonder faalangst in een gemotiveerde omgeving zullen kunnen gebruiken? En als we dat niet kunnen, dames en heren, dan zitten we hier over 100 jaar - anderen dan wij - opnieuw te discussiëren over de standaardtaal en norm in Vlaanderen.

Jean-Pierre Gaillez

Mijn standpunt zal waarschijnlijk een beetje verschillend zijn. Voor mij is Nederlands een vreemde taal en ik wil wat persoonlijke belevenissen beschrijven. Ik ben een echte Waal, uit de streek van Binche. Mijn vader had een landbouwonderneming met Vlaamse seizoenarbeiders (om niet “gastarbeiders” te zeggen) die van de vroege maandagochtend naar Wallonië kwamen tot de zaterdagavond. Mijn vader heeft altijd zijn uiterste best gedaan om Nederlands, of waarschijnlijk Vloams”, te spreken met die seizoenarbeiders - het Nederlands dat hij van hen geleerd had. Dat waren natuurlijk arbeiders uit West-Vlaanderen, en mijn vader had ervaren dat zij moeilijk konden communiceren met iemand uit Limburg of Antwerpen. [instemmend gelach in de zaal].

Toen ik tien was, dacht mijn vader: maar mijn kinderen moeten Nederlands kennen, degelijk Nederlands; en hij dacht aan een bepaalde norm, de Noordnederlandse norm. Op een vrije dag zijn wij dan met de wagen - dat was in ‘54, geloof ik - naar het noorden gereden, met als enig doel een gezin te vinden waar ik in de loop van de volgende zomervakantie een tijdje kon doorbrengen. (...)

Mijn standpunt als leerkracht Nederlands in Wallonië is altijd het volgende geweest: wie een vreemde taal wil leren, probeert altijd zijn eigen mentaal schema terug te vinden in die vreemde taal. Dus zal een Waal altijd tevreden zijn met woorden uit het Nederlands die gelijk zijn aan het Frans, en je moet als taalleraar vechten tegen gallicismen en structuren die aangepast worden vanuit het Frans. Daarom ben ik altijd een voorstander geweest van progressieve spelling - mijn eerste woordenboek was een Verschueren-woordenboek [het panel kijkt in de richting van Geerts, boegbeeld van Van Dale]: als men een taal leert moet men het verschil leren waarderen. (...)

Ik wou nog iets zeggen naar aanleiding van een artikel van Mia Doornaert in De Standaard van 18 augustus 1993: “Koningin Paula hoeft geen ‘Vlaams’” te leren. Ik heb een goeie vriend, Louis, een romanist uit Spanje, die de leiding heeft overgenomen van het Animatiecentrum voor Talen, in het Anspach Center. Hij is drie jaar in België en uit overtuiging is hij druk Nederlands aan het leren. Op vrijdagavond was ik op het Centrum en hij kreeg een telefoontje van een Vlaams meisje - wij zijn bezig met een prachtige uitwisselingsdienst tussen Vlaanderen en Wallonië. Louis verstaat geen woord van wat er verteld wordt - geen woord! - en hij zegt: Jean-Pierre kan je even helpen want ik begrijp er niets van. Het was iemand uit Poperinge [gelach in de zaal], en ik ben een beetje boos geweest [gelach houdt aan] - ja maar enfin - ik heb haar gevraagd: kunt u geen inspanning doen? U bent kandidate voor een uitwisseling, maar zo bent u een zeer slechte ambassadrice van uw eigen taal, van uw eigen gemeenschap. Ik stel mij een Franstalige, of een migrant voor die Nederlands leert, en dat eens wil uittesten door naar een populair programma op een Vlaamse zender te kijken en dan zaken hoort zoals “Moa Madame, da kundega toch nie doen!” of in een reclame hoort zeggen “da em hiel content is”.

Guido Geerts

“Aan de beschrijving van de Vlaamse varianten in de standaardtaal hebben we niets. Want wat zou daar het gevolg van zijn? Dat ze in het parlement decreteren dat dit nu geen fouten meer zijn? Maar als iedereen dit zegt, dan zijn het geen fouten... alleen is het geen Nederlands.”
G. Geerts

Ik zal maar met een contrapunt beginnen: ik ben het helemaal met Koen Jaspaert eens [Martine Tanghe: “daar gaat ons debat”]. Maar ik zou niet zo pessimistisch zijn als hij wat de mogelijkheden betreft om de Nederlandse norm inderdaad officiëel te laten gelden. Ik zou het zelfs nog op een langere termijn dan honderd jaar willen zien: we zijn tweehonderd jaar bezig en in die tweehonderd jaar is er ongetwijfeld een verschuiving geweest van het Nederlands in Vlaanderen naar het Nederlands van het Noorden -of niet naar het Nederlands van het Noorden, maar naar het gestandaardiseerde Nederlands. Dat heeft gewoon te maken met een aantal kenmerken van die taal. Ik vind dat hij ook gelijk heeft als hij zegt dat je niet met de taal moet beginnen maar met cultuur; daarom heb ik me ook altijd bezig gehouden met integratie, niet met politieke integratie - (hoewel dat uiteindelijk het enige middel zou zijn , maar dat is intussen zo een beetje voorbijgestreefd, want we gaan nu naar het Europa van de regio’s, en daarin spelen die naties uit de 19e eeuw een veel geringere rol.) Die integratie die we nodig hebben om een vanzelfsprekende gebruikmaking van de Noordnederlandse norm te krijgen, die komt er toch. Je kunt ook zien dat op alle terreinen waar die integratie er is, een hoge mate van convergentie optreedt. Dat is onvermijdelijk: als Louis Tobback voor Nova verschijnt, spreekt hij Nederlandser dan als hij voor de BRTN een interview afgeeft; dan spreekt hij gewoon Nederlands Nederlands, en dat is misschien niet eens opzet, dat is de gewone convergentie, de aanpassing aan de gesprekspartner.
Standaardtaal, de norm, (of we dat nu erkennen of niet heeft absoluut geen belang; - de invloed van al wat reeds is genoemd is inderdaad groter dan die van een aantal docenten of taalpolitici) die basis is absoluut nodig.

In een opzicht zou ik nog even met Koen Jaspaert van mening willen verschillen: hij zegt namelijk, we hebben een Noordnederlandse norm maar we realiseren hem niet. Geeraerts heeft een artikel geschreven, een jaar of twee geleden, in Dietsche Warande en Belfort, waarin hij ook dat nog eens geproblematiseerd heeft. De Vlamingen realiseren namelijk weinig of geen normen, niet alleen niet in de taal, maar ook niet in de woningbouw, en ook op allerlei andere terreinen. Onze cultuur is voor een belangrijk deel a-normatief. Dat heeft Geeraerts in verband gebracht met een democratisch tekort. Wij hebben de Verlichting en de gevolgen daarvan op een heel ander manier ondergaan dan als vrije burgers. Professor Aerts - Westerlinck - vertelde in zijn colleges dat wij ook het Classicisme hadden gemist als Vlamingen, en dat dit een van de oorzaken was van de wat losse manier waarop wij met allerlei normen omspringen.

Greetje van den Bergh

Ik zit hier wat ongemakkelijk om verschillende redenen:
Ik ben er mij van bewust, van het moment dat ik in Vlaanderen ben, dat ik na één zin al herkend wordt als “niet van hier”. Jef Vromans zegt in een themanummer over de positie van Vlaanderen in het Nederlands taalgebied, dat een substantiële meerderheid van de Vlamingen afkerig staat tegenover het Nederlands dat in Nederland wordt gesproken. Ten derde zit ik hier wat ongemakkelijk omdat ik dan toch maar ter verdediging van mijzelf of mijn landgenoten of het bestaan van de Taalunie, iets onaardigs ga zeggen over taalkundigen, weliswaar ook weer via een citaat, ditmaal van Deleu die zegt:

“De evidente nuances binnen het Nederlandse taalgebied zijn wetenschappelijk uit te leggen en ze mogen wat mij betreft best onderwerp zijn van gekrakeel, of zelfs van Hollander- en Vlamingenmoppen, maar ze mogen geen rol spelen bij het bepalen de taalpolitiek die we moeten voeren. (...) De cultuurtaal van Vlaanderen is het Standaardnederlands en daardoor zijn we onlosmakelijk verbonden met Nederland. Waarom zouden er overigens geen minieme verschillen mogen bestaan tussen het Nederlands van een Vlaming en dat van een Nederlander? Dat zijn typische vitterijen van taalkundigen.”

Dit leek mij een mooi citaat om hier de discussie los te maken. Omdat ik ben opgeleid tot literair vertaler, juist tussen een Romaanse en een Germaanse taal, tussen Frans en Nederlands, ben ik buitengewoon gevoelig geworden niet alleen voor taal- en registernuances, maar juist voor interferentie tussen het Frans en het Nederlands, en zie ik dus heel veel invloeden in het Vlaams die in de opleiding aangestipt worden als gallicismen. Maar wat is ertegen om in de taal uitdrukkingen te hebben als “alleszins”, “de jongste jaren”, “de voorbije maanden”, “bekommernissen”, “een ernstige poging”, “nochtans” - allemaal woorden die wij in Nederland niet op deze plaats, dan wel niet in deze betekenis gebruiken. Ze worden veel gebruikt, en hebben daarmee dus ook bestaansrecht in het Nederlands. Wat ik moeilijker vind is de vraag hoe je zoiets zou moeten normeren.

Ik denk dat dit verschil in taalgebruik binnen het Nederlands alleen maar een verrijking is als er ook vrijheid bestaat om die te gebruiken. Dat is een beetje mijn vrees wanneer men gaat normeren -wanneer men zegt: dit is typisch Noordnederlands, dit is typisch Vlaams - dat de vruchtbare beïnvloeding van die twee of meer regio’s binnen een taalgebied, die op de duur tot allerlei genuanceerd taalgebruik kan leiden, dat je die afscheidt en zegt: neen, dit mag je alleen maar zeggen als je Zuidnederlands spreekt, of dit mag je alleen maar als Noordnederlander zeggen, want dit is de norm.

Johan Nootens

Ik ben op een bepaald ogenblijk bij de BRTN terechtgekomen en ik heb me daar met vertalingen bezig gehouden... toen begon er al iets scheef te lopen met mijn norm. Ik had een heel strikte norm, en als ik die nu ook heel strikt wou toepassen dan bleef er mij maar één oplossing: alleen Nederlandse vertalers in dienst nemen. Die hoefde ik niet uit te leggen dat “doorheen het bos” niet kon, en dat “zo een mensen” “zulke mensen” moest zijn. Ik kon daarmee op zijn minst zes maanden winnen, in sommige gevallen jaren, want sommige germanisten die hiervandaan kwamen, en komen, vertalers uit de vijf vertalersopleidingen in Vlaanderen, studeren af met “doorheen het woud”, “zo een”, “omwille van ideologische redenen”... Ik geef maar een paar voorbeelden. Dus ik kon kiezen en ofwel zeggen:
de werkelijkheid is sterker dan mijn norm, ofwel zeggen: ik neem alleen Nederlandse vertalers in dienst. Dat laatste had ik misschien wel graag gedaan, als het omgekeerd ook gebeurd zou zijn, maar ik wist uit ervaring dat bijvoorbeeld de Nederlandse vertaaldienst van het NOS pertinent elk van onze vertalingen weigerde, tenzij ze die mochten bewerken, want ze was altijd “zo Vlaams,” onze vertaling. Ik heb het toen eens uitgeprobeerd met een Britse film die door een Nederlander was vertaald en ze vonden ze “toch zo Vlaams”, die vertaling. Het werkt gewoon zo, en het werkt ook andersom: Wij hebben altijd afgegeven op de “kaaskoppen”, enz. Je kunt alleen maar zeggen dat we sinds VTM minder Nederlandse televisie kijken dan vroeger, maar er is nu niet meer anti-Nederlandse stemming dan vroeger, integendeel. (...)

Het voorbeeld van Professor Geerts vind ik leuk: Tobback die een inspanning doet om te hollandiseren als hij ginder gaat praten. Dat doen de Nederlanders ook af en toe - gelukkig maar. Daarstraks probeerde mevrouw Van den Bergh tegen mij een zin te formuleren met een gallicistisch “voorzien” erin, en het lukte haar nog bijna ook. Over het boek van Van Belle en Smedts zei een criticus: “Positief is dat de meest frequente Vlaamse taalfouten behandeld worden; negatief is dat de auteurs zelf van die typisch Vlaamse taalfouten maken. Hij voegt er wel een beetje vergoelijkend aan toe dat dit wel een kinderziekte zal zijn - van het boek.

Als professor Willemyns van de VUB op een hoorzitting van de Interparlementaire Commissie zegt: “omwille van ideologische redenen kan ik mij daar niet over uitspreken”, als de toestand zo is dan moeten we gewoon doen, dan moeten we er van uitgaan dat er één taal is die we Nederlands noemen en daarbinnen maken we plaats voor varianten die we beschrijven. Als de Neerlandici nu eens gewoon afspreken: binnen vijf jaar hebben we een beschrijving van de Vlaamse varianten in die standaardtaal. Dat kan toch niet zo moeilijk zijn. Daar heb je toch geen miljoenen voor nodig, daar heb je desnoods licentiestudenten voor, die kosten niks. Onderzoek dit even, beschrijf gewoon die Vlaamse varianten van de standaardtaal. Weet u wat dat betekent? Dat betekent dat mensen als ik, taaladviseurs van het parlement en van de Vlaamse regering, dat wij niet meer dag in dag uit hoeven bezig te zijn met “voorzien” en “doorheen”. Ik ga nog een voorbeeldje geven, en daar sluit ik mee af.

Verleden week woensdag, op het late BRTN-journaal, zei Van Dievel: “Bij Antwerp Ship Repair staan 500 werknemers aan de dop. (...) De werknemers verdedigen het pool-systeem waarbij alleen op hen een beroep mag gedaan worden”. Nu kunt je als taaladviseur de volgende dag gaan zeggen: verdorie Van Dievel, weet je het nu nog niet; en opnieuw een blauw briefje schrijven met “het is niet aan ‘de dop’, het is ‘stempelen’, en het is niet ‘mag gedaan worden’, maar ‘gedaan mag worden’”. Hier verschil ik van mening met professor Geerts: er zijn zo een paar van die vastigheden in onze taal die je er echt niet uit krijgt, zelfs niet bij professionelen, het zit er gewoon in. (...)
Ik ben eens opgeroepen door de BRTN: de omroepster kreeg die avond van de Leuvense politie zo een onmogelijk opsporingsbericht... Je moet die kennen, die zijn in een onverstaanbaar koeterwaals geschreven. Dit is echt ambtenarees, notaristaal, rijkswachterstaal. Als dat op TV wordt voorgelezen!... Die omroepster heeft dus die tekst vermenselijkt, ze is daar een half uur mee bezig, maakt er een normale Nederlandse tekst van. Zulke mensen dan helpen, dat is taaladvies geven. Niet om daar “zo een”/“zulke” uit te halen, of “doorheen de Bondgenotenlaan”, maar om taaladvies te geven over de vraag “hoe is die communicatie, is die aangepast?”

Op dit punt ben ik minder optimistisch over die standaardtaalsituaties waarin we terechtkomen; er zijn geen standaardtaalsituaties. Mijn jeugd was helemaal in dialect, die van mijn kinderen is anders, soms Nederlands, soms verkavelingsvlaams. Een laatste antwoordje aan meneer Gaillez. Als ik Frans spreek in Brussel zeg ik ook “mon kot” en “nonante”, en niet noodzakelijk “quatre-vingt-dix”. Er zijn dus ook blijkbaar Belgisch-Franse lexicale varianten die heel normaal zijn. Het verwijt uit Franstalige hoek dat er nog Vlamingen zijn die dialect spreken, vind ik een beetje moeilijker om mee om te gaan. Als wij onze geschiedenis bekijken dan zien we waar dat vandaan komt natuurlijk: als de Franstalig-Belgische gemeenschap ons sneller die vrijheid had gegund waren we nu al veel verder.

Verdere fragmenten uit de discussie :

Guido Geerts:
Ik zou graag iets willen zeggen over een van de laatste opmerkingen van Nootens, namelijk die beschrijving van de varianten: daar heb je natuurlijk niets aan, wat zou je daarmee doen? Die varianten kennen we al allemaal; wie zou daar behoefte aan hebben om die te beschrijven? De Nederlanders hebben daar niets aan. En het is ook niet de vraag of er varianten zijn in Vlaanderen, dat bepalen we zelf: we spreken Nederlands - zo goed en zo kwaad als het gaat. De een doet het wat opzettelijker in de richting van het Noorden, de ander wat opzettelijker in de richting van het West-Vlaanderen of van Limburg. Dat kan allemaal; dat heeft niets met het Nederlands te maken. We hebben zelf gekozen om Nederlands te hebben: onze voorouders hadden ons kunnen laten verfransen; dat hebben ze niet gedaan. Op een bepaald ogenblik hebben de Belgen bepaald dat een van de nationale talen het Nederlands zou zijn. Dan is de vraag: wat is Nederlands? Als wij nu zeggen: zoals wij spreken met zijn allen dat is Nederlands, dan zijn we klaar. Maar als je nu zegt: Nederlands dat is ook de taal van Nederland, van de Nederlanders, dan spelen die Vlaamse varianten daar helemaal geen rol, dan heeft niemand van ons ook maar de minste reactie te verwachten van de Nederlanders - behalve als we eens toevallig een rapport opmaken in opdracht van een Nederlands ministerie, of een vertaling voor de NOS, of als we een roman schrijven die we willen laten uitgeven, dan krijgen we te maken met de Nederlandse norm.

Koen Jaspaert:
Ik denk niet dat de Vlamingen echt een norm, een norm van bovenaf opgelegd, willen. Alleen hebben ze geleerd dat, als ze er niet naar vragen, men ze op de vingers zal tikken en zeggen “jij bent toch eigenlijk verwaand”. En aan de andere kant, de Nederlandse kant, heb ik het voorbeeld van een Vlaamse jeugdschrijfster die ik vrij goed ken en die ook nogal eens boeken publiceert in Nederland. Jaspaerts vrouw, Els Beerten, met name]
Bij het eerste boek stond achter op de kaft: “Mevrouw die en die is geboren te Hasselt”. In de Nederlandse recensies zag je dan: “mooi boek, heel mooi van taal”. Bij het tweede boek gebeurde hetzelfde: op de kaft “geboren te Hasselt” en in de commentaren: “mooi geschreven, mooi van taal”. Maar bij het derde boek schreef dezelfde uitgever op de achterflap “geboren in Vlaanderen”. En dan zag je ineens in de recensies: toch jammer van al die Vlaamse invloeden in de taal. Ook dat heeft niets objectiefs, ook dat is puur en alleen een reactie van “we weten dat de Vlamingen geen goed Nederlands spreken, dus accepteren we het niet”. Dit is een puur subjectieve reactie die wordt gecreëerd door de wijze waarop we met normen omgaan. Als je dan kijkt naar andere situaties bij mensen die nog niet zo geïndoctrineerd zijn door die norm...

Papa, wil je even stoppen, ik moet pipi doen”. Mijn collega, die het op die wijze nog nooit had gehoord, zei: “Waar haal je dat?” “O”, zegt zij, “Eva en ik, wij zeggen dat zo.

Mijn oudste dochter Eva was zes jaar toen we bezoek kregen van een collega uit Nederland, die kinderen had van dezelfde leeftijd. Toen ze terug naar huis reden “moest” zijn dochter zo nodig langs de kant van de weg: “Papa, wil je even stoppen, ik moet pipi doen”. Mijn collega, die het op die wijze nog nooit had gehoord, zei: “Waar haal je dat?” “O”, zegt zij, “Eva en ik, wij zeggen dat zo”. Stel dat die kinderen geïndoctrineerd waren door de norm, de een als Nederlander, de ander als Vlaming, dan had dit kind gezegd: “Eva en ik zeggen dat zo, maar ik heb haar gezegd dat het eigenlijk plassen moet zijn.” [bulderend gelach] Ik vrees dat in dat geval de vriendschap snel over zou zijn...

We zitten in Vlaanderen in een aparte situatie, omdat we veel te strak op die “zeg niet...maar wel” - cultuur zijn doorgegaan, en ik denk dat het zeer belangrijk is om gas terug te nemen. Ik kan het nut zien van zo een boekje waarin de objectieve norm beschreven staat, maar als ik denk aan het misbruik dat ervan gemaakt kan worden, zo van: “kijk, dit mag nu weer wel, maar die verfoeilijke gallicismen mogen niet (tenzij een of andere Nederlander die begint te gebruiken, dan mogen ze weer wel, dan zijn het geen gallicismen meer), als we dat soort dingen verder voedsel gaan geven dan denk ik dat we veel verder gaan afglijden en dat we dit onveiligheidsgevoel van de Vlaming met zijn norm gaan versterken en dat we dan nooit ergens gaan geraken.

Als we ons niet meer bezig gaan houden met het objectieve opleggen van die dingen dan krijgen we de normale normvormingsprocessen zoals in elke gemeenschap. Daarbij worden verschillen tussen mensen die heel vaak met elkaar in contact komen na een tijdje als het ware vanzelf uitgevlakt, net zoals bij Eva en haar vriendinnetje. Maar dan kan het niet dat de eerste burger van deze gemeenschap zegt “o, excuseer,” als hij door een journalist wordt aangevallen omdat hij een gallicisme gebruikt.

Jean-Pierre Gaillez
Ik denk dat Vlaanderen en Nederland ofwel veel te dicht bij elkaar liggen, ofwel dat er veel te weinig culturele en sociale contacten zijn tussen de twee gemeenschappen. Ik hoor woorden als “macht”, “een norm opleggen”: dan raak je heel rap in taalimperialisme.

Johan Nootens: Het kan toch geen kwaad, het is toch helemaal geen probleem, als we ons gewoon neerleggen bij de realiteit?
Guido Geerts: Maar de realiteit... daar hoef je je niet bij neer te leggen, die is er gewoon. De vraag is: is er een taalpolitiek beleid? En als er een taalpolitiek beleid is -
Johan Nootens: Er is geen taalpolitiek beleid!
Guido Geerts: Waarom zitten we dan hier bij mekaar?
Johan Nootens: Omdat er geen is.
Guido Geerts: Maar dan kunnen we toch rustig onze gang gaan.
Johan Nootens: Laten we dan gaan...
Het probleem is dat deze mensen opgeleid moeten worden...

(14 maart 1994)