Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten
Jaargang 22 (2009) nr. 2

Naar overzicht

Karen Deschamps (promotie 2003), onlangs gepromoveerd

Deontische modaliteit en negatie in Nederlandstalige regelgevende teksten

Karen Deschamps

Behoudens desinteresse, moet u het zeker niet nalaten deze tekst te lezen

Wetten gaan over rechten en plichten. Ze bevatten daardoor veel woorden als moeten, mogen, kunnen, bevoegd en toegestaan. In de taalkunde staan zulke woorden bekend als deontische woorden. Wetten gaan ook over wat niet mag. En regels gaan steevast gepaard met uitzonderingen. Wetteksten staan daardoor bol van ontkenningen. Soms zijn die ontkenningen heel herkenbaar (niet, onschendbaar), maar ze zitten ook verstopt in woorden als nalaten ("iets niet doen").

Deontische modaliteit, eventueel gecombineerd met een ontkenning, maakt dus de essentie uit van rechtsnormen. Daarom heb ik precies die twee elementen uitgekozen om te onderwerpen aan een diepgaand onderzoek.

Mijn onderzoek bestaat uit drie delen: een theoretisch, een descriptief en een normatief deel. In het eerste deel onderzoek ik de betekenis van rechtsnormen. Meer concreet ga ik na welke deontische en negatieve concepten er bestaan in het recht. Ik heb daarvoor een onderzoek gedaan van theoretische literatuur uit de logica, de taalkunde en de rechtswetenschap.

In het tweede, centrale deel, beschrijf ik op welke manier die deontische en negatieve concepten uitgedrukt worden in de taal van de wet. Welke woorden, welke grammaticale constructies worden gebruikt om te zeggen dat iets verplicht is, verboden is, toegestaan is, enzoverder? Om dat te onderzoeken, heb ik een corpus aangelegd van wetteksten uit België en Nederland. Concreet heb ik gekeken naar de grondwet, het verkeersreglement en de woninghuurwet in beide landen, in totaal zo'n 2000 zinnen.

In het derde en laatste deel heb ik onderzocht welke adviezen er bestaan over de formulering van deontische en negatieve concepten in de wet. Ik ben nagegaan welke adviezen er gegeven worden in handboeken over wetgevingstechniek, en ook welke adviezen de Raad van State geeft over concrete wetteksten. De Raad van State is immers een belangrijke wetgevingsadviseur: zowel in België als in Nederland worden heel veel wetsvoorstellen en -ontwerpen door de Raad van State gecontroleerd, niet alleen op juridisch, maar ook op taalkundig vlak.

Geen uniformiteit

Deontische concepten blijken op uiteenlopende manieren tot uiting te worden gebracht in wetteksten. Plicht bijvoorbeeld wordt niet alleen uitgedrukt door werkwoorden (bv. moeten, dienen,...), maar ook door substantieven (bv. last in ten laste zijn van) en adjectieven (bv. gehouden, verplicht...), en zelfs door een voorzetsel (namelijk te in bijvoorbeeld de te volgen weg). Stellers van wetteksten kiezen er echter vaak voor om plichten impliciet te formuleren, door middel van een zin gesteld in de onvoltooid tegenwoordige tijd, bijvoorbeeld Voetgangers gebruiken het trottoir. In de alledaagse taal gebruiken we zo'n zin meestal om de werkelijkheid te beschrijven. In wetteksten daarentegen heeft de onvoltooid tegenwoordige tijd een voorschrijvend karakter: we moeten er het woordje moeten bijdenken.

Het onderzoek toont verder aan dat regelgevers deontische uitdrukkingen niet altijd op een consequente manier gebruiken. De onvoltooid tegenwoordige tijd bijvoorbeeld wordt niet alleen gebruikt om een plicht te scheppen, maar ook om bevoegdheden en rechten te verlenen. Dat zorgt soms voor discussies over de interpretatie van bepaalde wetsartikelen.

In andere gevallen wordt dan weer het woordje kunnen gebruikt, terwijl uit de context blijkt dat men eigenlijk een plicht wil uitdrukken. Een voorbeeld is het volgende artikel uit de Belgische Grondwet:

In afwijking van het tweede lid kan de wet het stemrecht regelen van de burgers van de Europese Unie die niet de Belgische nationaliteit hebben, overeenkomstig de internationele en supranationale verplichtingen van België.

Het woordje kan lijkt aan te geven dat de wetgever bevoegd, maar niet verplicht is om het stemrecht te regelen van de EU-burgers die geen Belg zijn. Dat is echter niet het geval: volgens het Verdrag van Maastricht was België verplicht om het stemrecht van EU-burgers te regelen, wat duidelijk gemaakt wordt door het woordje verplichtingen verderop in de zin. Ook een lid van de bevoegde senaatscommissie waarin het wetsvoorstel werd besproken had die tegenstrijdigheid opgemerkt en vroeg zich af waarom er in de tekst de wet kan regelen stond en niet de wet regelt, zoals verplichtingen normaal geformuleerd worden. De toenmalige eerste minister antwoordde daarop dat het lid vanuit juridisch oogpunt inderdaad gelijk had, maar dat er voornamelijk om politieke redenen gekozen was voor de formulering kan regelen. De politieke onderhandelaars die vonden dat er geen discriminatie mocht zijn tussen EU-burgers en niet-EU-burgers, wilden namelijk een gelijke tekst voor beide groepen. En aangezien er in de bepaling over het stemrecht voor niet-EU-burgers stond de wet kan regelen, vonden de politici het beter om in de bepaling voor de EU-burgers dezelfde formulering te hanteren.

Uit mijn onderzoek blijkt dus dat deontische uitdrukkingen, zoals het werkwoord kunnen en de onvoltooid tegenwoordige tijd, in wetteksten verschillende betekenissen uitdrukken. Anderzijds worden deontische concepten, zoals plicht en bevoegdheid, door verschillende uitdrukkingen geformuleerd. Dat druist in tegen een belangrijke regel uit de wetgevingstechniek, die zegt dat één uitdrukking in dezelfde tekst slechts één betekenis mag hebben, en omgekeerd, dat dezelfde betekenis altijd geformuleerd moet worden met dezelfde uitdrukking. Idealiter correspondeert elke deontische uitdrukking dus met één deontische betekenis, en elke deontische betekenis met één deontische uitdrukking.

Nodeloos negatief

Uit mijn onderzoek bleek verder dat rechtsnormen vaak verschillende ontkenningen bevatten in één zin. Dat staat de begrijpelijkheid van wetteksten in de weg, want een zin waarin men probeert om zo weinig mogelijk ontkenningen te vermijden, kan je immers niet zelden zonder moeite lezen.

Soms is negatie niet te vermijden. Een verbod bijvoorbeeld kan je alleen uitdrukken met een of ander negatief woord. Maar soms zijn er situaties waarin iets in bepaalde omstandigheden mag, en in andere omstandigheden niet mag. Als wetgever kun je dan twee kanten uit: ofwel bekijk je het van de positieve kant en zeg je dat de handeling alleen in die bepaalde omstandigheden toegestaan is, ofwel begin je met te zeggen dat de handeling verboden is, en maak je daar dan een uitzondering op. In het laatste geval krijg je twee negaties: eerst een verbod, en dan een uitzondering, wat inhoudt dat het verbod niet geldt.

Welke strategie je kiest, hangt volgens mij af van het doel dat je met je rechtsregel wil bereiken. Als je bijvoorbeeld een bepaald gedrag principieel wilt ontmoedigen, klinkt een negatieve formulering krachtiger. Neem bijvoorbeeld de volgende zin uit het Nederlandse verkeersreglement:

(1) Behoudens in noodgevallen is het de weggebruikers verboden op een autosnelweg gebruik te maken van de vluchtstrook, de vluchthaven of de berm.

De wetgever wil het gebruik van vluchtstroken zoveel mogelijk ontmoedigen en vaardigt dus een principieel verbod uit, waarop dan een uitzondering wordt gemaakt: in noodgevallen geldt het verbod niet.

De wetgever past deze tactiek echter ook toe in gevallen waar hij duidelijk niet een bepaald gedrag wil ontmoedigen. Een voorbeeld is de volgende bepaling uit de Belgische grondwet:

(2) Geen administratief rechtscollege kan worden ingesteld dan krachtens een wet.

Uit commentaren bij de grondwet blijkt dat deze bepaling eigenlijk bedoeld was om administratieve rechtscolleges mogelijk te maken en op die manier de Raad van State een beetje te ontlasten. De grondwetgever wil hier dus geen handeling ontmoedigen, integendeel, het is zijn wens dat de handeling uitgevoerd wordt. De negatieve formulering is hier dus zeer vreemd en het mag dan ook niet verbazen dat de bepaling tot op heden niet is uitgevoerd. Een positieve formulering zou hier logischer geweest zijn:

(3) Administratieve rechtscolleges kunnen alleen ingesteld worden krachtens een wet.

De zin in (4) is veel duidelijker en directer, en klinkt ook veel vriendelijker dan de zin in (3). Negatieve formuleringen kunnen soms nuttig zijn, maar ze mogen niet te pas en te onpas gebruikt worden, anders verliezen ze hun kracht.

Dubbelzinnig

Ten slotte bleek uit het onderzoek dat de combinatie van bepaalde deontische uitdrukkingen en ontkenningen soms tot dubbelzinnigheid leidt. Een voorbeeld zijn zinnen waarin een uitzondering wordt gemaakt op een plicht, als in (5).

(4) Een verzoek om informatie, vervat in documenten die zijn opgesteld ten behoeve van intern beraad, wordt ingewilligd behoudens voorzover het betrekking heeft op persoonlijke beleidsopvattingen van bewindslieden, bestuurders of ambtenaren.

Deze zin is afkomstig uit de Nederlandse Wet Openbaarheid van Bestuur. Die wet regelt de inzage van burgers in beleidsdocumenten. Ambtenaren zijn in principe verplicht om een verzoek van een burger om een bepaald beleidsdocument in te kijken, in te willigen. De bepaling bevat echter een voorbehoud: de regel geldt niet wanneer het verzoek betrekking heeft op persoonlijke beleidsopvattingen van bewindslieden, bestuurders of ambtenaren. De vraag is echter wat er in dat geval moet gebeuren: is het dan niet verplicht om het verzoek in te willigen (maar dus wel toegestaan), of is het dan verboden om het verzoek in te willigen? Op basis van de tekst zijn beide interpretaties mogelijk. Voer voor discussie dus.

We kunnen besluiten dat deontische modaliteit de kern uitmaakt van de betekenis van rechtsnormzinnen: het maakt een heel verschil of iets mag, dan wel verplicht is; of iets niet verplicht is, dan wel verboden. Deontische concepten moeten daarom op een uniforme, begrijpelijke en ondubbelzinnige manier tot uiting worden gebracht, en dat is, zoals blijkt uit mijn onderzoek, op dit moment nog niet altijd het geval.

Karen Deschamps