Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten
Jaargang 23 (2010) nr. 1

Naar overzicht

Rita Ghesquière (promotie 1970)
"Zeg mama, niet alle kinderen houden van boeken, hoor!"

Rita Ghesquière

Vorig jaar ging professor Rita Ghesquière met pensioen. Studenten weten van haar dat ze een grote interesse heeft voor jeugdliteratuur, maar de moeilijke weg die deze literaire vorm in de academische wereld heeft afgelegd, is minder bekend. Wij kwamen het te weten tijdens een boeiend gesprek over de kracht van verhalen.

Rita Ghesquière begon haar studie Germaanse talen aan de K.U. Leuven in 1966. Eerder had ze overwogen om rechten te studeren, maar een leraar bepaalde mee haar keuze voor talen, om zo in het middelbaar onderwijs te kunnen stappen. Toch draaide het nog helemaal anders uit.

“Toen ik afgestudeerd was, vroeg professor Servotte me of ik halftijds bij hem wou komen werken, als een soort van persoonlijke assistent. Bovendien kon ik dan ook nog halftijds op het monitoraat aan de slag. Ik vond dat een mooie combinatie. Zo kon ik toch doen wat ik altijd al had gewild: op een persoonlijke en rechtstreekse manier omgaan met studenten.”

Een jaar later kreeg Rita Ghesquière een beurs bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, het toenmalige NFWO. Dat betekende dat ze vier jaar betaald werd om onderzoek te doen dat zou leiden tot een doctorstitel. Ondertussen kon ze de wereld van de universiteit van binnenuit leren kennen. Na haar promotie werd Ghesquière, na een paar tijdelijke statuten, vrij snel vast benoemd.

Van hulpje tot hoogleraar

Rita Ghesquière bewaart nog steeds goede herinneringen aan haar samenwerking met professor Albert Westerlinck, bij wie ze promoveerde. Aarzelend vertelt ze hoe hij een beetje apart en eigenaardig was. “Hij was echt het type professor waar je enerzijds ontzag voor had en een beetje bang voor was, maar anderzijds kon hij ook echt geloven in zijn studenten en ze aanmoedigen. Dat werkte motiverend.”

Als assistent voor een professor werken, hield destijds wel andere dingen in dan nu. “Professor Westerlinck stuurde mij bijvoorbeeld naar de bibliotheek. Daar moest ik dan titels opzoeken, boeken ontlenen en er delen uit kopiëren. Ook scripties van studenten moest ik lezen, en daar dan vragen bij verzinnen. Eigenlijk was ik meer een soort hulpje.” Professor Ghesquière omschrijft het als een meester-knechtverhouding, maar “zo was het nu eenmaal. Je leerde ook veel van hem”.

Aan het begin van haar doctoraatsproject was haar promotor wel een beetje wantrouwig. “Hij zei tegen mij: ‘Er zijn hier al veel vrouwen begonnen, maar nog niemand van hen heeft haar doctoraat afgewerkt.’ Dat was eerlijk, en daardoor was je dan ook weer gestimuleerd om het wél af te werken.”

Ghesquière studeerde tijdens de periode van mei ’68, en dat herinnert ze zich nog zeer goed. “Het was een opwindende tijd, waar heel veel aandacht was voor politiek en voor verandering.” Hoewel ze toen als tweedejaarsstudente niet iemand was die op de eerste rij stond, was ze wel erg betrokken bij de Vlaamse zaak en ging ze soms betogen. Bovendien woonde zo ook in de buurt van de Rijkswachtkazerne, zodat de dingen zeker niet onopgemerkt aan haar voorbijgingen. Voor de studenten was het geen gemakkelijke periode: “We hadden vaak geen college, en toch wist je dat er examens aankwamen. Je had zelf de verantwoordelijkheid om je studie tot een goed einde te brengen.” Rita Ghesquière was ook lid van Germania, de toenmalige kring van de studenten Germaanse talen. Vooral aan het Germaniakoor bewaart ze heel fijne herinneringen.

(Jeugd)literaire kritiek

Na haar doctoraat ontwikkelde Rita Ghesquière een speciale interesse voor jeugdliteratuur. Dat was niet zo vanzelfsprekend. “Jeugdliteratuur had weinig literaire status. Er was ook helemaal geen aandacht voor in de scholen. In de tweede helft van de middelbare school kwamen er nauwelijks nog aangepaste boeken aan bod, en aan de universiteit al helemaal niet.”

Na enkele seminaries over receptie-esthetica besefte ze dat kinderen en jonge mensen eigenlijk veel meer lezen dan volwassenen. In andere landen was er toen al belangstelling voor de studie van jeugdliteratuur op academisch niveau, vooral dan in de Scandinavische landen. Via Duitsland kwamen die ideeën naar hier. “Op vraag van de studenten organiseerde ik toen een seminarie over jeugdliteratuur. Dat sloeg best wel goed aan.” Daarna kreeg Rita Ghesquière van professor Rik Van Gorp, ondertussen de opvolger van professor Westerlinck, carte blanche om verder over jeugdliteratuur te werken. Toch kwam er in het begin tamelijk veel kritiek en stuitte ze op onbegrip van collega’s. “Hoe kan je nu zo veel tijd steken in jeugdliteratuur? Is het wel de moeite waard? Is dat geen vluchtroute of gemakkelijkheidoplossing voor de studenten, en ook voor jezelf? Maar ik was voortdurend op zoek naar iets waaruit zou blijken dat jeugdliteratuur en volwassenenliteratuur aanvullend konden zijn, én in dialoog stonden met elkaar.”

Vandaag is er een groot bewustzijn dat lezen belangrijk is voor kinderen. Professor Ghesquière weet dat men nu veel meer gelooft in de noodzaak om kinderen vroeg te laten beginnen met lezen, en dat je nooit te veel kan lezen. “Iedereen gelooft in de positieve kracht die van de literatuur uitgaat, zowel voor de taal als voor de psychologie van jonge mensen.”

Toch beseft ze dat het niet altijd eenvoudig is om jonge mensen aan het lezen te krijgen. Vroeger gaf ze haar kinderen als cadeautje meestal een boek mee naar verjaardagsfeestjes van hun vriendjes. Op een dag werd ze op schattige wijze geconfronteerd met de eerlijke mening van haar zoon. Toen hij (weer) eens een boek als cadeautje mee kreeg, zei hij: “Zeg mama, niet alle kinderen houden van boeken hoor!”

De kracht van een verhaal

In 1982 verscheen Het verschijnsel jeugdliteratuur, zopas herwerkt en uitgegeven als Jeugdliteratuur in perspectief (2009). Na de geboorte van haar jongste zoon, Nicolas, in 1985 begon professor Ghesquière aan een ander ‘apart’ boek over jeugdliteratuur dat in 1989 verscheen: Van Nicolaas van Myra tot Sinterklaas. De kracht van een verhaal. Dat boek paste perfect in haar zoektocht naar een link tussen jeugd- en volwassenenliteratuur. Uit interesse voor de oorsprong van de naam van haar zoon begon ze zich te verdiepen in het verhaal van de heilige Nicolaas. Ze ging op zoek naar historische teksten, van oude Griekse geschriften tot christelijke legenden en middeleeuwse folklore.

“Ik was vooral geïnteresseerd in teksten voor en over kinderen om te zien of er overeenkomst was met wat auteurs voor volwassenen schreven. Wat was er gemeenschappelijk en wat verschillend? Hoe is die hele volwassenencultuur afgedaald en iets geworden voor kinderen? Het was een heel boeiend onderwerp dat op het juiste moment kwam. Het beantwoordde perfect aan mijn interesse voor dat spanningsveld tussen twee culturen, de volwassenencultuur en de kindercultuur, en hoe die toch bij elkaar horen.”

Jongens- en meisjesboeken

Professor Ghesquière beschreef in haar afscheidscollege de academische wereld als “eerder een jongens- dan een meisjesboek”. Al zijn er de laatste jaren meer vrouwelijke collega’s dan toen zij benoemd werd, de academische wereld is toch nog steeds voor een groot stuk een mannencultuur. “Als je kijkt naar de algemeen beheerder en de mensen die de reële macht hebben, of naar de manier waarop de universiteit wordt bestuurd, dan is het inderdaad een mannelijke wereld.”

Ook bij de studenten die talen studeren, is de situatie nu wat evenwichtiger verdeeld dan vroeger. Hoewel meisjes daar nog steeds de bovenhand halen, zijn er opnieuw meer jongens die voor een studie talen kiezen dan pakweg twintig jaar geleden.

Professor Ghesquière heeft nog heel wat plannen voor de toekomst. Ze geeft nog enkele dagen per week college en werkt nog een paar artikelen af. “Ik probeer systematisch de zaken af te werken. En intussen komt er toch al wat meer tijd vrij en krijg ik zelfs zin om opnieuw meer te schrijven.” (lacht) Ze wil ook graag wat meer artistiek bezig zijn. “Boetseren, schilderen, dingen die ik vroeger wel gedaan heb, maar waar de laatste jaren nooit tijd voor was.”

Ghesquière heeft ook een uitgebreide familie, onder wie tien kleinkinderen, waarvoor ze nu meer tijd kan vrijmaken. Onze vraag of ze misschien ambitie heeft om zelf nog een jeugdboek te schrijven, wordt beantwoord met een lachje. “Ik heb wel enkele concepten in mijn hoofd, die ik misschien ooit probeer te realiseren. Maar tot nu toe ben ik altijd heel voorzichtig geweest omdat ik zo vaak mijn mening geef over jeugdboeken. Dat maakt je natuurlijk ook wel een beetje kwetsbaar als je zelf gaat schrijven, hé.”

Sofie Wauters, Sarah Langens, Ilse Van Turnhout