Mededelingenblad van de Leuvense Germanisten
Jaargang 21 (2008) nr.1

Naar overzicht

“En plots had ik er een tweede bestaan bij”
Annemie Leysen (promotie 1969)

Annemie Leysen

Hoewel Annemie Leysen gezworen had nooit het onderwijs in te gaan, heeft ze jarenlang les gegeven aan de lerarenopleiding van de K.H. Leuven. Daarnaast bouwde ze een carrière op als jeugdboekenrecensent. Samen met haar blikken we terug op haar studententijd en haar carrière, die – hoewel Leysen net op pensioen is – toch nog lang niet voorbij lijkt te zijn.

In 1965 begon Annemie Leysen aan de K.U. Leuven aan haar studie. Hoewel haar vader, Bert Leysen, en moeder, Alice De Haes, ook germanisten waren (beiden promotie 1943), twijfelde ze tot net voor haar inschrijving aan haar studiekeuze. Dankzij haar leraar Latijn en Grieks was er een liefde voor de klassieke literatuur ontstaan. Hoewel ze bezeten was van Homeros en Vergilius, besloot ze wegens het wat “duffe imago” van Klassieke talen op het laatste nippertje toch maar voor Germaanse talen te kiezen.

Leysen studeerde in de woelige periode van ’68. Volksvergaderingen, anti-Vietnambetogingen, de Parijse lente; ze kan het zich nog allemaal levendig voor de geest halen. “Niet dat ik zo’n linkse rakker was, maar ik stond absoluut wel achter bepaalde dingen. En als we er nu aan terugdenken, mijn man en ik, dan zeggen we soms: “Hadden we toen maar een beetje meer geblokt” (lacht). Wat haar toen ook boeide, was lezen: Leysen ging regelmatig naar een seminarie, dat ze zelf een “leesclub avant-la-lettre” noemt. Hier kwamen studenten op vrijwillige basis bijeen om een boek te bespreken en de mening van anderen te horen.

We vragen ons af wat Annemie Leysen vindt van de verschillen tussen de Germanistenopleiding van toen en de Bachelor Taal- en Letterkunde van nu. “Ik denk dat het toen gemakkelijker was. Je kon het je soms permitteren om een vak op één avond voor het examen te blokken.” Dat gold wel alleen voor kleinere vakken. Daartegenover stond dan dat een academiejaar soms lang kon uitlopen omdat er zoveel vakken waren dat die niet allemaal in een examenperiode van drie weken geplaatst konden worden. Leysen denkt bijvoorbeeld terug aan een jaar waarin ze examens had tot 1 augustus, wat ze beschrijft als een “uitputtingsslag”. Ze vindt het ook jammer dat er nu maar weinig algemene vakken meer worden gegeven, vakken als geschiedenis, metafysica, logica en psychologie. “Het was eigenlijk zo: als je in het eerste jaar Germaanse geslaagd was voor de algemene vakken maar niet voor de germanistenvakken, dan kon je gewoon naar het tweede jaar Rechten overschakelen. We hadden dan ook de grootste minachting voor de rechtenstudenten. Die hadden nog geen rechtsvakken in het eerste jaar, enkel algemene vakken, dus het waren de sukkelaars die Rechten gingen studeren.” (lacht)

Er zijn ook professoren die Annemie Leysen goed zijn bijgebleven. Een van hen is professor Servotte, die Engelse Literatuur gaf en naar wiens colleges Leysen enorm uitkeek. “Hij was echt een lichtend voorbeeld. Hij was heel verstandig, maar niet op een – ik weet niet goed hoe ik het moet zeggen – academische manier. En alle meisjes waren ook een beetje verliefd op hem (lacht): hij was een knapperd, hij had een witte Saab, als priester droeg hij als één van de eersten een clergy-man, zo’n mooi zwart pak met een wit boordje. En dan had je natuurlijk ook Albert Westerlinck, totaal het tegenovergestelde van Servotte qua imago maar een even geweldige prof. Hij had iets van een klein schildpadje, zoals hij daar vooraan stond; hij kwam nauwelijks boven zijn katheder uit. Maar hij kon de studenten zó enthousiast maken voor de wereldliteratuur. Hij las bijvoorbeeld voor uit Baudelaire, en dan zei hij: “Schoon newaar!” (doet professor na), en je dacht: “Dat is inderdaad schoon (lacht).” Zo iemand vergeet je niet meer.”

“Lesgeven in de brousse”

Na haar studie trok Leysen naar Oxford, waar ze een proficiencycursus volgde. Hoewel ze graag journalist wilde worden, trok ze samen met haar man, die romanist is, voor twee jaar naar Rwanda om er les te geven. (Nota van de red.: Haar man is Marc Van Den Hoof, bekend jazzspecialist, VRT-producer en medewerker bij Klara.) “Ik moest dan vertellen hoe Mr en Mrs Smith opstaan, bacon and eggs eten en de underground nemen, maar daar zijn geen treinen, moet je weten! Ik moest dus alles tekenen, uitleggen en voordoen.” Hoe ongerijmd die situatie ook was, toch heeft Leysen uit die ervaring veel geleerd; vooral hoe verwend we zijn. Maar ook op het gebied van lesgeven werd ze wijzer. De spanningen in Rwanda zijn uiteindelijk de aanleiding geweest om naar België terug te keren. Omdat ze al moeder was, werd het plan om journalist te worden, voorlopig aan de kant geschoven en ging ze lesgeven aan toekomstige onderwijzers en regenten.

Toevallig rolde Leysen later dan toch in de journalistiek. “We waren goed bevriend met Herman de Coninck. Elk jaar gingen we samen op vakantie in Oostduinkerke. Herman was toen hoofdredacteur van Café des Arts, de letterenbijlage van De Morgen. Ik herinner me nog goed dat we in de duinen zaten toen hij me vroeg waarom ik niet eens iets over kinderboeken zou schrijven voor Sinterklaas. En zo is het begonnen.” Al snel mocht ze op regelmatige basis stukken schrijven. Hoewel er nu steevast een kinderboek op haar nachttafel ligt, kwam de liefde voor jeugdliteratuur zeker niet voort uit haar kindertijd. Er was zelfs helemaal geen voorliefde.

Al snel werd haar meer recensiewerk aangeboden en kwam ze ook in tal van jury’s terecht. Hoewel ze zich vereerd voelt, komt dat volgens Leysen zelf doordat “je in dit land al snel als expert gezien wordt”. Op onze vraag wat ze denkt over het mogen jureren voor de H.C. Andersenprijs, geeft ze toe dat ze zich er tegelijk vereerd en een beetje hopeloos bij voelt. Het volledige oeuvre van zestig auteurs lezen, is dan ook niet niks. Eind maart komt de jury samen in Basel. Daar ligt het hoofdbureau van de IBBY (The International Board on Books for Young People), de organisator van de prijs. Deze wereldwijde organisatie wil het lezen bij jongeren bevorderen. Een paar dagen later wordt in Bologna dan op de internationale kinderboekenbeurs meegedeeld wie de winnaar is.

“Geef ze dan toch gewoon een pak suiker”

Wanneer ze een boek beoordeelt, grijpt Leysen terug naar een denkbeeldig lijstje dat niet sterk afwijkt van haar criteria voor volwassenenliteratuur. “Ik moet het kunnen geloven. Het moet zo geschreven zijn dat ik erin meega.” Die geloofwaardigheid gaat dan ook voor op het pedagogische aspect van jeugdliteratuur. Volgens Leysen loopt het mis wanneer de auteur opzettelijk kennis in een boek probeert te verwerken. “Ik heb het dan vooral over historische verhalen, waarbij soms twee personages hele hoofdstukken uit de geschiedenis aan elkaar vertellen. Zo praten mensen toch niet met elkaar. Natuurlijk leer je iets uit een boek, maar dat is vooral hoe je moet leven, of hoe je zou kunnen zijn. Je moet er als mens iets aan hebben.” Een voorbeeld van hoe het wél moet, is Sefarad van Antonio Muñoz Molina. Volgens Leysen kan je veel kennis opsteken uit dat boek, maar het zijn vooral de inleving en de manier waarop er met taal wordt gewerkt, die je raken.

Het recenseren verliep niet altijd even vlot: “Toen ik nog maar pas recensies schreef, heb ik nogal wat boze reacties gekregen van auteurs omdat het toen niet evident was dat men een kinderboek ook goed geschreven moest vinden; als het maar een beetje spannend was en een beetje lekker leuk las, dan was het al goed. Toch blijf ik erbij dat een jeugdboek goed opgebouwd moet zijn en dat het taalkundig en stilistisch verrassend moet zijn. Het moet vernieuwend en, ja, origineel zijn.” Sommige auteurs gaan daar volgens haar dan weer te ver in. “Er zijn auteurs die denken: “Ik ga ook eens iets ‘literairs’ proberen, want dat ligt blijkbaar goed.” Die sloven zich dan uit door de meest ingewikkelde composities te gebruiken en wringen zich in stilistische manoeuvres die je al gauw door hebt en dan denk ik: “Ach, laat maar zitten.” Een boek moet voor haar niet per se goed aflopen, het mag best somber zijn, al heeft ze ook een hekel aan boeken waarin “alle ellende van de wereld” samengeperst wordt. Dat soort literatuur vindt ze sensatiegericht, “makkelijk succes”. Ze moet dan ook niet lang nadenken over welke auteurs ze veelbelovend vindt: “Joke van Leeuwen is mijn absolute favoriet, die kan alles”.

Leysen heeft niet veel op met populaire rages binnen de jeugdliteratuur. “Neem nu Marc De Bel. Die hype is al een tijdje voorbij, maar er werd vaak geschermd met het argument dat de kinderen dankzij De Bel tenminste lazen. Dan geef je ze toch gewoon een pak suiker en laat je ze lezen wat daarop staat!” Lezen om de act van het lezen kan dus niet volgens Leysen, want dan laat je de kinderen niet ontdekken wat echt mooi is. Tegelijkertijd vindt ze dat je jongeren niet kunt dicteren wat ze wel of niet mogen lezen. Dat heeft ze ook nooit gedaan bij haar eigen kinderen. Volgens Leysen moet je er gewoon voor zorgen dat er goede literatuur in huis is en moet je die diplomatisch aanprijzen. Haar kinderen zijn dan ook opgegroeid tussen “muren van boeken”.

Zou ze zelf ooit een jeugdboek willen schrijven? “Ik weet het niet. Misschien zou ik wel weten hoe het moet, maar of ik het dan ook echt zou kunnen? Ik loop wel eens met de gedachte rond om een boek of verhalen te schrijven voor volwassenen, maar daar moet je tijd voor hebben en die heb ik voorlopig niet.”

Het leven en de verlokkingen van dienst

Haar liefde voor literatuur maakte van Leysen een drukbezet persoon. Ze heeft altijd een full-time baan gehad en hoewel het soms heel zwaar was om die te combineren met een gezin van vier kinderen, heeft ze zich er altijd doorgeslagen. Ze was heel blij toen haar carrière als jeugdboekenrecensent op gang kwam. Daardoor kreeg ze veel nieuwe kansen, ondermeer het voorzitterschap van De Gouden Uil-jury. “Plots had ik er een tweede bestaan bij en dat wilde ik graag verder uitbouwen.”. Er is intussen nog niet veel veranderd: “Ik moet dringend neen leren zeggen, want op de duur ben ik altijd bezig. Eigenlijk ben ik sinds 1 oktober 2007 gepensioneerd uit het onderwijs gestapt, maar ik heb niet het gevoel dat ik er echt uit ben (lacht)”.
Zo is ze ook nog altijd verbonden aan de Stichting Lezen. Als lid van de Raad van bestuur maakte ze de oprichting van de Stichting Lezen mee. Stichting Lezen wil jongeren en volwassenen via campagnes warm maken voor literatuur. Leysen gelooft dat kinderen nog altijd veel lezen, meer dan volwassenen zelfs.

Algemeen Beschaafd Leuvens

Naast haar inbreng op het gebied van jeugdliteratuur, zetelt Leysen ook in de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren van de Nederlandse Taalunie. De Raad functioneert als adviesorgaan voor de ministers van onderwijs en cultuur van Vlaanderen en Nederland en heeft dus geen beslissende functie. Leysen vindt het positief dat de Taalunie is afgestapt van de klemtoon die op taalkunde lag. “De Taalunie heeft begrepen dat ze zich niet populair heeft gemaakt met al die spellingshervormingen en ze wil nu andere terreinen gaan verkennen. Zo zal er bekeken worden wat men kan doen op het vlak van taalvaardigheid in het onderwijs en zal er ook meer aandacht uitgaan naar het literaire veld.” Hoewel Leysen geen taalpurist is, zijn er volgens haar op dat gebied toch maatregelen nodig. Zo merkt ze dat haar studenten problemen hebben met het geschreven en gesproken woord. “Soms denk ik: “Hoe durven ze die werkstukken indienen?” Het is vaak heel erg ... Een behoorlijke zin schrijven, is blijkbaar voor vele studenten een hele opdracht.” Zeker bij onderwijzers lijkt het haar van het grootste belang dat men ingrijpt, aangezien die later zelf moeten uitleggen hoe het moet. “Ik kon vroeger aan mijn kinderen horen of hun juf of meester goed sprak, want ze imiteren naar wie ze opkijken. Dan kwamen ze thuis en zeiden ze: “Das nen greuten beum” (lacht), en dan dacht ik: “Daar gaan we weer.” Het feit dat jongeren minder lezen kan daar mee te maken hebben. “Iemand die veel leest, schrijft ook veel beter. Dat merk je zelfs bij jonge kinderen al. Kinderen die veel lezen zijn een stuk taalvaardiger.” Dat heeft ze overigens zelf ook mogen ervaren. “Een van mijn zonen las heel veel, en dan gebruikte hij soms woorden als “warempel” en dan weet je zo, dat komt uit ... ja, misschien wel Suske en Wiske (lacht). Ze nemen dat gewoon over; het beïnvloedt je toch.”

Georganiseerd leren denken

Mocht Leysen opnieuw een studiekeuze moeten maken, dan zou ze weer talen kiezen. “Met dat nieuwe bachelorsysteem zou ik misschien wel opteren voor een combinatie van Engels met een klassieke taal, dat zou wel mooi geweest zijn.” Hoewel ze zichzelf helemaal geen wiskundige of wetenschappelijke geest vindt, is ze wel geïnteresseerd in andere wetenschapstakken. Het is ook altijd één van haar ambities geweest om, wanneer ze eenmaal met pensioen was, meer tijd te maken voor die andere kant. “Ik vind het soms jammer dat we allemaal maar in één richting kunnen denken en van het overige zo weinig weten. Andere invalshoeken kunnen heel fascinerend zijn”.

Leysen vindt wel dat haar studie een invloed heeft gehad op haar leven en haar manier van denken. Een andere taal leren, lezen in die taal en het reconstrueren van een betekenis aan de hand van een context waarvan je misschien niet eens alle woorden begrijpt, helpen volgens haar om georganiseerd te leren denken. Tijdens een reis vorig jaar naar Warschau raakte ze er zich opnieuw van bewust hoe fascinerend een vreemde taal kan zijn. “Je begrijpt er niets van, je ziet en hoort die taal en dan wil je echt weten hoe ze in elkaar zit.” Leysen gelooft dat je opleiding een zekere invloed heeft. “Niet alleen wat taal en literatuur betreft, maar misschien vormt die opleiding ook je manier van zijn. Dat geldt voor alle richtingen en opleidingen denk ik: georganiseerd denken, dingen overwegen en plannen, in een context plaatsen ... En daarom vind ik het belangrijk dat er gestudeerd wordt, wat en hoe dan ook.”

Anastassia Antonenkova
Eva Belmans (2007)