Paul ClaesLaudatio Paul Claes

Rede uitgesproken door William Van Belle bij de emeritaatsviering (28 oktober 2009)

Mijnheer de Decaan, beste collega’s,

William Van Belle“Claes is een schrijver die zijn leven letterlijk aan de letteren heeft gewijd”, aldus Martijn de Bont in zijn bijdrage over Paul Claes in het Kritisch Literatuurlexicon. Het kan dan ook verwondering wekken dat aan mij, een taalkundige, die bovendien zijn sympathie voor het logisch positivisme of empirisme niet verbergt, is gevraagd om hier de laudatio voor een letterkundige uit te spreken. De verklaring is echter vrij eenvoudig: Paul Claes is sinds 1993 deeltijds verbonden geweest aan het departement linguïstiek, nu subfaculteit taalkunde, en aangezien de huidige voorzitter van de subfaculteit verhinderd is, heeft de decaan het maar aan mij gevraagd. Hoewel mijn tijd beperkt is, wil ik toch graag een kort overzicht van zijn wetenschappelijke loopbaan geven.

Nadat hij in 1966 zijn licentiaatsdiploma Klassieke Filologie aan onze faculteit behaalde, was hij eerst een tijd werkzaam als journalist. Vervolgens werd hij leraar klassieke talen in Landen, waar ook zijn echtgenote Gonda Lesaffer les gaf. Terwijl hij leraar was, verwierf hij ook het licentiaatsdiploma Germaanse talen voor de Centrale Examencommissie, een studie die hij afsloot met een verhandeling over de klassieke elementen in het werk van Hugo Claus. Dat was de opstap voor zijn doctoraal proefschrift in 1981, De mot zit in de mythe, Antieke Intertextualiteit in het het werk van Hugo Claus, dat in 1984 in herziene versie bij De Bezige Bij werd uitgegeven. In die periode publiceerde hij ook twee andere theoretische studies: Het netwerk en de nevelvlek. Semiotische Studies (1979) en Echo’s, echo’s. De kunst van de allusie (in 1988). Met deze studies maakte hij de semiotiek van Greimas en de theorie van de intertextualiteit in het Nederlands toegankelijk. Speciaal aan deze studies vind ik nog altijd dat ze op een bevattelijke wijze een inleiding geven op vrij ingewikkelde theorieën zodanig dat de lezer de analysemethodes zelf kan toepassen op een wijze die weerlegbaar is.

Intussen was zijn leraarschap klassieke talen geëindigd. De reden: het dalende aantal leerlingen en de regel dat wie minder anciënniteit had, het eerst moest vertrekken. Gonda, zijn echtgenote, die wat meer anciënniteit had dan hij en hem bijgevolg dreigde “buiten te duwen”, veranderde van school, maar ook dat mocht niet baten.
Daarna was hij enkele jaren docent in Nijmegen en vervolgens combineerde hij drie deeltijdse docentschappen: aan de toenmalige Katholieke Vlaamse Hogeschool voor vertalers in Antwerpen, de Mercatorhogeschool in Gent en aan onze faculteit. Ik herinner me nog dat hij me zei dat hij met Antwerpen en Gent ging stoppen omdat al het heen-en-weer gereis hem veel te veel tijd kostte.

Of die beslissing van doorslaggevend belang is geweest voor zijn literaire en wetenschappelijke productie, weet ik niet, maar alleszins heeft Paul Claes een omvangrijk oeuvre gepubliceerd, dat alleen al in boekvorm een honderdtal titels bevat. Het is hier onmogelijk om van zijn oeuvre een gedetailleerd overzicht te geven: alleen al de opsomming van de titels zou misschien te veel tijd vergen. Kort dus:

Ten eerste zijn er de vertalingen. Paul Claes publiceerde vertalingen van verschillende van de meest toonaangevende auteurs uit de West-Europese literatuur, o.m. de Pisaanse Canto’s van Pound en Ulysses van Joyce (allebei samen met Mon Nys), en gedichten van Mallarmé, Rimbaud, Rilke en Eliot. Daarnaast vertaalde hij ook klassieke poëzie van onder meer Sappho, Catullus en de Griekse Anthologie, alsook Nederlandse poëzie in o.m. het Engels en het Latijn. Alles bij elkaar schreef hij poëzie in minstens acht talen.

Ten tweede, de pastiches, voor een deel verzameld in zijn Mimicry, Geschiedenis van de Nederlandse poëzie in 50 pastiches.

Ten derde, een heel rijke verzameling van romans en dichtbundels. Zijn verzamelde gedichten werden in 2008 door de Bezige Bij uitgegeven onder de titel De Zonen van de Zon, en een cyclus van eerder verschenen romans verscheen met als titel De Lezer.

Ten vierde een aantal wetenschappelijke studies, waarvan ik speciaal vermeld:
Concatenatio Catulliana, A new reading of the Carmina (2002), T.S. Eliot, Het barre land (2007), Raadsels van Rilke. Een nieuwe lezing van de Neue Gedichte (1995), waarvan dit jaar een Duitse vertaling verschenen is, en La clef des Illuminations (2008).

Alles samen een oeuvre om u tegen te zeggen. Dat heeft geleid tot veel appreciatie in binnen- en buitenland. Raymond van den Broeck noemde hem in 1993 al een Proteus. Proteus is de Griekse god die allerlei gedaanten kon aannemen en daarom als beeld kan dienen voor een duivelskunstenaar als Paul Claes. De erkenning van zijn meesterschap bleek ook uit talrijke prijzen waaronder ik slechts vermeld: De Belgische Staatsprijs voor essay en kritiek (1991) en de Martinus Nijhoffprijs voor vertaling (1996). Ik wil hier ook graag verwijzen naar zijn eigen poëzierubriek De Sleutel in Ons Erfdeel (sinds 2006) en naar zijn maandelijks gedicht in het weekblad Knack. Daarnaast heeft hij ook wel kritiek gekregen. In een bespreking van zijn La clef des Illuminations leest men bijvoorbeeld: ‘Le programme que Paul Claes définit dans le cadre de son introduction présente la qualité et le défaut (…) d’être très systématique (…)’. Le – défaut – d’être – très – systématique ?! Ik heb de indruk dat de taal- en letterkunde wel ver uit elkaar aan het groeien zijn.

De verscheidenheid van zijn oeuvre belet echter niet dat er een grote eenheid in aanwezig is. Een cruciaal aspect van die eenheid is de lezer die Claes is en wil zijn, zoals hij het zelf verwoordt in het voorwoord van De Lezer: “Er is, zo weet de lezer, geen woord zonder echo, geen traditie zonder vernieuwing, geen waarheid zonder herhaling.” De lezer Claes ontcijfert, vertaalt, becommentariëert en pasticheert. Dat alles is dan weer het materiaal voor zijn eigen gedichten en romans, die hij ook becommentarieert en eventueel vertaalt en - waarom niet – pasticheert. De schorpioen die in zijn eigen staart bijt.

Niet alleen wegens zijn faam als vertaler, maar vooral wegens zijn vakmanschap en zijn beheersing van het Nederlands in verschillende registers die zijn gelijke niet kent, hebben we hem indertijd gevraagd om een vak vertaling te geven in de postgraduaatopleiding Taal en Bedrijf. Daarna had hij ook een inbreng in de sectie Literair Vertalen van het programma voor permanente vorming Vertalen op Europees niveau. Collega Willy Smedts en ik vonden ook dat een cursus vertalen naar het Nederlands – tenminste als die door Paul gegeven werd - een uitstekend onderdeel zou zijn van Nederlandse Taalbeheersing, maar op ons voorstel volgde alleen een diep stilzwijgen. Dat stilzwijgen is misschien de inspiratie geweest voor de titel van mijn boek Zwijgen is niet altijd toestemmen. Het is dan bij die nogal beperkte opdracht gebleven, maar Paul Claes heeft die altijd met alle inzet vervuld. De studenten vonden het niet altijd gemakkelijk, maar, waar komt de idee vandaan dat kennis en vakmanschap zonder inspanning of door wat te memoriseren verworven worden?.

Dames en heren, voor een waardig einde van mijn kleine laudatio voor deze zoals Christine D’Haen noteert in haar Uitgespaard zelfportret,
heb ik de hulp gevraagd van een oud-leermeester van Paul.
Een dag na mijn verzoek bezorgde prof. em. Dries Welkenhuysen me het volgende elegische distichon:

Emerito collegae Paulo plaudite cuncti,
qui variis Proteus artibus enituit.

William Van Belle